Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG)

De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) heeft als doel de kwaliteit van de gezondheidszorg te bewaken en patiënten te beschermen tegen ondeskundig of onzorgvuldig handelen. De wet regelt onder meer titelbescherming, registratie in het BIG-register, voorbehouden handelingen en tuchtrecht.  

De Wet BIG maakt onderscheid tussen verschillende groepen beroepen. De belangrijkste groep zijn de artikel 3-beroepen. Dit zijn beroepen met een wettelijk beschermde beroepstitel. Zij moeten geregistreerd staan in het BIG-register en vallen onder het tuchtrecht. Voorbeelden zijn arts, verpleegkundige, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, fysiotherapeut, apotheker, tandarts, verloskundige, physician assistant, klinisch technoloog en orthopedagoog-generalist.  

Daarnaast zijn er artikel 34-beroepen. Deze beroepen hebben een wettelijk beschermde opleidingstitel, maar staan niet in het BIG-register en vallen niet onder het tuchtrecht op grond van de Wet BIG. Voorbeelden zijn diëtist, ergotherapeut, logopedist, huidtherapeut, mondhygiënist, optometrist en podotherapeut.  

De Wet BIG regelt ook voorbehouden handelingen. Dat zijn risicovolle medische handelingen die alleen mogen worden uitgevoerd door zorgverleners die daarvoor bevoegd en bekwaam zijn, of onder voorwaarden in opdracht van een bevoegde zorgverlener. Voorbeelden zijn injecties, heelkundige handelingen en het voorschrijven van geneesmiddelen op recept.  

Verder vallen wettelijk erkende specialismen onder artikel 14 van de Wet BIG. In de GGZ zijn vooral de psychiater, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog, gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut van belang.

De Wet BIG is daarmee vooral een kwaliteits- en beschermingswet: zij maakt duidelijk wie bepaalde beroepstitels mag voeren, wie welke handelingen mag verrichten en hoe professioneel handelen kan worden getoetst.