ADHD-diagnostiek is in de praktijk vaak minder eenvoudig dan het lijkt. Veel mensen herkennen zich in klachten als onrust, uitstelgedrag, vergeetachtigheid, chaotisch functioneren of moeite met concentreren. Dat maakt ADHD herkenbaar, maar ook kwetsbaar voor overherkenning. Goede diagnostiek draait daarom niet alleen om de vraag óf klachten op ADHD lijken, maar vooral om de vraag of ADHD daadwerkelijk de meest passende verklaring is.
Diagnostiek ≠ symptomen afvinken
n de praktijk bestaat het risico dat ADHD-diagnostiek te veel wordt gereduceerd tot symptoomherkenning. Iemand herkent zich in kenmerken, vult een vragenlijst in of loopt een interview zoals de DIVA door, en daaruit volgt dan min of meer vanzelf de conclusie ADHD. Zo eenvoudig is het meestal niet. Klachten als aandachtsproblemen, uitstelgedrag, innerlijke onrust of impulsiviteit komen ook voor bij chronische stress, slaaptekort, perfectionisme, angst, trauma, depressieve klachten, overbelasting of langdurige emotionele ontregeling. Zeker bij adolescenten, studenten en hoogfunctionerende volwassenen is dat onderscheid vaak minder vanzelfsprekend dan op papier lijkt. De kern van diagnostiek is daarom niet alleen het vaststellen dát bepaalde symptomen aanwezig zijn, maar vooral het begrijpen wat ze betekenen.
Structureel of contextgebonden?
Een van de belangrijkste vragen in de diagnostiek is of er sprake is van een duurzaam patroon van problemen in aandacht, planning, zelfregulatie en impulscontrole, of van klachten die vooral ontstaan in bepaalde omstandigheden. Met duurzaam bedoelen we hier dat de klachten niet alleen af en toe of onder specifieke druk optreden, maar over langere tijd en op verschillende gebieden van het leven herkenbaar aanwezig zijn. Dat onderscheid is klinisch belangrijk. Sommige mensen lopen vooral vast bij taken die weinig intrinsieke motivatie oproepen, langdurige inspanning vragen of gepaard gaan met prestatiedruk, beoordeling of kans op mislukking. In andere situaties functioneren zij goed, soms zelfs opvallend goed. Dat patroon kan sterk op ADHD lijken, maar vraagt om een andere klinische duiding dan een breed aanwezig beeld van problemen met aandacht, planning, zelfregulatie en impulscontrole.
Ontwikkelingsverhaal
Om die vraag goed te kunnen beantwoorden, is het ontwikkelingsverhaal onmisbaar. Bij ADHD moeten de kernkenmerken niet pas op volwassen leeftijd zijn ontstaan, maar al eerder in het leven aanwezig zijn geweest, ook als zij toen nog niet als zodanig werden herkend. Daarom is het belangrijk om terug te kijken naar de jeugd. Hoe functioneerde iemand als kind? Hoe verliep school? Waren er al vroeg problemen met aandacht, organisatie, impulscontrole, taakgerichtheid of emotieregulatie? En minstens zo belangrijk: in welke context ontwikkelde iemand zich? Dat laatste wordt in de praktijk nog te vaak onderschat. Concentratie- en regulatieproblemen in de jeugd kunnen ook samenhangen met spanning in het gezin, pesten, onveiligheid, overvraging, emotionele verwaarlozing of andere ontwikkelingsfactoren. Juist daarom vraagt diagnostiek om meer dan alleen terugkijken of iemand vroeger ook druk of chaotisch was.
Vragenlijsten en interviews
Vragenlijsten en gestructureerde interviews kunnen behulpzaam zijn in het diagnostisch proces, maar zij stellen op zichzelf geen diagnose. Instrumenten zoals de ASRS of DIVA-5 kunnen goed helpen om symptomen systematisch in kaart te brengen, maar ze zeggen nog niet automatisch waardoor die symptomen ontstaan. Ze ondersteunen de diagnostiek, maar vervangen haar niet. Dat onderscheid is belangrijk, juist omdat veel mensen zich overtuigend kunnen herkennen in een ADHD-profiel zonder dat ADHD uiteindelijk de meest passende verklaring blijkt.
Medicatie ≠ diagnostische test
Ook het effect van stimulantia zoals methylfenidaat of dexamfetamine mag niet worden gezien als een soort bevestiging achteraf. Dat iemand met medicatie beter kan focussen, sneller taken oppakt of minder uitstelt, betekent niet automatisch dat er sprake is van ADHD. Deze middelen kunnen ook de volgehouden aandacht, activering en taakgerichtheid verbeteren bij mensen bij wie de klachten vooral samenhangen met motivatieproblemen, hoge eisen, prestatiedruk of overvraging. Een gunstig effect van medicatie zegt dus iets over symptoombeïnvloeding, maar niet zonder meer iets over de diagnostische verklaring
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Association Publishing.
- Chang LY, WangMY & Tsai PS. (2016). Diagnostic accuracy of rating scales for attention-deficit/hyperactivity disorder: A meta-analysis. Pediatrics, 137(3), e20152749. https://doi.org/10.1542/peds.2015-2749
- Epstein JN, Johnson DE & Conners CK. (2001). Conners’ Adult ADHD Diagnostic Interview for DSM-IV (CAADID). Multi-Health Systems.
- Epstein JN & Kollins SH. (2006). Psychometric properties of an adult ADHD diagnostic interview. Journal of Attention Disorders, 9(3), 504–514. https://doi.org/10.1177/1087054705283643
- Kooij JJS et al. (2019). Updated European Consensus Statement on diagnosis and treatment of adult ADHD. European Psychiatry, 56, 14–34. https://doi.org/10.1016/j.eurpsy.2018.08.001
- National Institute for Health and Care Excellence (NICE). (2018/2019/2025). Attention deficit hyperactivity disorder: diagnosis and management (NG87). https://www.nice.org.uk/guidance/ng87