De ziekte van Alzheimer is op dit moment niet te genezen. De behandeling is gericht op het vertragen van symptomen, het ondersteunen van het dagelijks functioneren en het verbeteren van de kwaliteit van leven van zowel de patiënt als diens naasten.
Medicatie kan bij een deel van de patiënten leiden tot tijdelijke stabilisatie of lichte verbetering van cognitieve functies en gedrag. De belangrijkste middelen die worden gebruikt zijn cholinesteraseremmers en memantine.
Cholinesteraseremmers, zoals donepezil, rivastigmine en galantamine, worden ingezet bij lichte tot matig ernstige vormen van dementie. Deze middelen grijpen aan op het cholinerge systeem, dat bij de ziekte van Alzheimer is aangedaan. Door de afbraak van acetylcholine te remmen, wordt de signaaloverdracht tussen zenuwcellen tijdelijk ondersteund. Het effect is doorgaans bescheiden en tijdelijk, maar kan klinisch relevant zijn.
Memantine, een NMDA-receptorantagonist, wordt toegepast bij matig ernstige tot ernstige stadia van de ziekte. Dit middel beïnvloedt de glutamaattransmissie en kan mogelijk overmatige prikkeling van zenuwcellen verminderen. Ook hier geldt dat het effect vooral bestaat uit vertraging van achteruitgang en niet uit herstel.
Het effect van medicamenteuze behandeling wordt doorgaans na enkele maanden geëvalueerd, waarbij wordt gekeken naar cognitief functioneren, dagelijks functioneren en gedrag. Bij uitblijven van effect of bij bijwerkingen kan worden besloten de behandeling te staken.
Naast medicamenteuze behandeling zijn niet-medicamenteuze interventies essentieel. Structuur in de dag, een voorspelbare omgeving, cognitieve stimulatie en ondersteuning van mantelzorgers dragen in belangrijke mate bij aan het functioneren en welbevinden van de patiënt. Ook aandacht voor comorbiditeit, zintuiglijke beperkingen en stemming is van groot belang.
In de afgelopen jaren is er toenemende aandacht voor ziektemodificerende behandelingen, met name gericht op het verminderen van amyloïdstapeling in de hersenen. Monoklonale antilichamen tegen amyloïd worden onderzocht en in sommige landen beperkt toegepast. De klinische relevantie, effectgrootte en veiligheid van deze behandelingen zijn nog onderwerp van discussie, en toepassing is vooralsnog beperkt tot specifieke patiëntengroepen.
Andere behandelingen, zoals ontstekingsremmers, hormoontherapie of antioxidanten, hebben tot op heden geen overtuigend klinisch effect laten zien en worden niet routinematig aanbevolen.
Het behandelbeleid bij de ziekte van Alzheimer is daarmee in belangrijke mate gericht op symptoomverlichting, ondersteuning en begeleiding, met aandacht voor zowel de patiënt als diens sociale omgeving.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Publishing.
- Livingston G et al. (2020). Dementia prevention, intervention, and care. The Lancet, 396(10248), 413–446.
- Reisberg B, Doody R, Stöffler A, Schmitt F, Ferris S & Möbius HJ. (2003). Memantine in moderate-to-severe Alzheimer’s disease. New England Journal of Medicine, 348, 1333–1341.
- Yin H et al. Loss of the m6A methyltransferase METTL3 in monocyte-derived macrophages ameliorates Alzheimer's disease pathology in mice.
PLoS Biol. 2023 Mar 7;21(3):e3002017. doi: 10.1371/journal.pbio.3002017. PMID: 36881554; PMCID: PMC9990945.