De DSM-5-TR beschrijft ADHD als een patroon van aanhoudende problemen met aandacht en/of hyperactiviteit en impulsiviteit, dat leidt tot duidelijke beperkingen in het dagelijks functioneren. Het gaat daarbij niet om losse kenmerken, maar om een samenhangend beeld dat op meerdere levensgebieden zichtbaar is en al vroeg in de ontwikkeling aanwezig is. De diagnose ADHD wordt gesteld wanneer er sprake is van voldoende symptomen op het gebied van onoplettendheid en/of hyperactiviteit en impulsiviteit, in combinatie met een aantal aanvullende voorwaarden. Bij volwassenen (en jongeren vanaf 17 jaar) moeten er ten minste vijf symptomen aanwezig zijn binnen één of beide domeinen; bij kinderen zijn dat er zes of meer. Deze symptomen moeten bovendien niet alleen aanwezig zijn, maar ook leiden tot merkbare beperkingen in het functioneren.
Twee symptoomdomeinen
De DSM-5-TR onderscheidt twee hoofdgroepen van symptomen: onoplettendheid en hyperactiviteit/impulsiviteit.
Bij onoplettendheid gaat het om kenmerken zoals moeite hebben om aandacht vast te houden, snel afgeleid zijn, taken niet afmaken, problemen met organiseren en plannen, dingen kwijtraken en vergeetachtig zijn in het dagelijks leven. Ook kan iemand moeite hebben om langdurig geconcentreerd te werken of taken die mentale inspanning vragen te vermijden of uit te stellen.
Bij hyperactiviteit en impulsiviteit gaat het om innerlijke of uiterlijke onrust, moeite met stilzitten, een gevoel van voortdurend “aan staan”, veel praten, anderen onderbreken, antwoorden eruit flappen of moeite hebben met wachten. Bij volwassenen uit hyperactiviteit zich vaak minder zichtbaar, maar eerder als een gevoel van innerlijke onrust of gejaagdheid.
Op basis van deze twee symptoomdomeinen onderscheidt de DSM-5-TR drie beelden van ADHD: een overwegend onoplettend beeld, een overwegend hyperactief-impulsief beeld en een gecombineerd beeld, waarbij beide symptoomgroepen duidelijk aanwezig zijn.
Aanvullende voorwaarden
Naast de symptomen stelt de DSM-5-TR een aantal belangrijke voorwaarden. Allereerst moeten de klachten al in de jeugd aanwezig zijn geweest, vóór het twaalfde levensjaar. Dat betekent niet dat er toen al een diagnose moet zijn gesteld, maar wel dat de kenmerken in enige vorm herkenbaar waren.
Daarnaast moeten de symptomen zich voordoen in meer dan één levensgebied, bijvoorbeeld thuis, op school, op het werk of in sociale relaties. Dit wordt ook wel pervasiviteit genoemd en is belangrijk om onderscheid te maken met klachten die alleen in specifieke situaties optreden.
Verder moet er sprake zijn van duidelijke beperkingen in het functioneren. Het gaat dus niet alleen om het hebben van kenmerken, maar om de vraag of deze ook daadwerkelijk leiden tot problemen in het dagelijks leven, zoals op school, werk, in relaties of in zelforganisatie.
Tot slot geldt dat de klachten niet beter verklaard mogen worden door een andere psychische stoornis. Problemen met aandacht en impulscontrole kunnen ook voorkomen bij bijvoorbeeld angst, depressie, trauma, slaapstoornissen of overbelasting. Daarom is differentiaaldiagnostiek een essentieel onderdeel van de beoordeling.
Ernst
De DSM maakt onderscheid in de ernst van ADHD, afhankelijk van het aantal symptomen en de mate van beperking. Bij een lichte vorm zijn er slechts weinig meer symptomen aanwezig dan strikt noodzakelijk voor de diagnose, en zijn de beperkingen relatief beperkt. Bij een matige vorm ligt dit daar tussenin. Bij een ernstige vorm zijn er duidelijk meer symptomen aanwezig of leiden de klachten tot aanzienlijke beperkingen in het dagelijks functioneren
Neuropsychologie en cognitie
Hoewel ADHD in de DSM wordt gedefinieerd op basis van gedrag en symptomen, wordt het vaak begrepen in termen van onderliggende cognitieve processen. Met name de executieve functies spelen een belangrijke rol, zoals aandacht, planning, werkgeheugen en cognitieve flexibiliteit. Daarnaast kunnen ook andere cognitieve domeinen betrokken zijn, zoals leren en geheugen, complexe aandacht, taal, perceptueel-motorische functies en sociale cognitie. Deze processen helpen om het gedrag beter te begrijpen, maar maken geen deel uit van de formele diagnostische criteria.
Literatuur ADHD
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Association Publishing.
- Centers for Disease Control and Prevention. (2024). Diagnosing ADHD. https://www.cdc.gov/adhd/diagnosis/index.html