Hechtingsstoornissen

Meer informatie
No items found.

Hechtingsstoornissen zijn zeldzame maar ernstige ontwikkelingsstoornissen die ontstaan wanneer jonge kinderen langdurig onvoldoende zorg, veiligheid en emotionele beschikbaarheid van hun primaire verzorgers ervaren. In de eerste levensjaren is een stabiele gehechtheidsrelatie essentieel voor de ontwikkeling van vertrouwen, emotieregulatie en sociale vaardigheden. Wanneer deze relatie ernstig wordt verstoord door verwaarlozing, mishandeling of herhaalde wisselingen van verzorgers, kan de ontwikkeling van gehechtheid ontregeld raken.
In de DSM-5-TR worden twee specifieke hechtingsstoornissen onderscheiden: de reactieve hechtingsstoornis en de ontremd sociaal contactstoornis. Beide stoornissen hebben een gemeenschappelijke oorsprong in ernstige vroegkinderlijke verwaarlozing, maar uiten zich in duidelijk verschillende gedragspatronen.

Reactieve hechtingsstoornis en ontremd sociaal contactstoornis

Bij de reactieve hechtingsstoornis (RHS) vertoont een kind geremd en emotioneel teruggetrokken gedrag ten opzichte van verzorgers. Het kind zoekt weinig troost wanneer het overstuur is en reageert nauwelijks op troostpogingen. De emotionele expressie is vaak beperkt, en kinderen kunnen een sombere, prikkelbare of angstige indruk maken. De stoornis weerspiegelt een diepgaand gebrek aan vertrouwen in verzorgers.
Bij de ontremd sociaal contactstoornis (OSCS) is het gedrag juist opvallend ongeremd. Het kind zoekt gemakkelijk contact met onbekende volwassenen, vertoont weinig terughoudendheid tegenover vreemden en kan zonder aarzeling met onbekenden meegaan. Het gedrag is onvoldoende afgestemd op de aanwezigheid van de primaire verzorger en wijkt duidelijk af van wat bij de ontwikkelingsleeftijd past.
Hoewel beide stoornissen voortkomen uit vergelijkbare omstandigheden van ernstige verwaarlozing, vertegenwoordigen zij dus twee verschillende ontwikkelingspatronen: een patroon van emotionele terugtrekking tegenover een patroon van sociaal ontremd gedrag.

Kenmerken van hechtingsstoornissen

Hechtingsstoornissen gaan vaak gepaard met bredere ontwikkelingsproblemen. Ernstige verwaarlozing in de vroege kindertijd kan leiden tot achterstanden in de cognitieve ontwikkeling en taalontwikkeling. Sommige kinderen vertonen stereotiep zelfstimulerend gedrag, zoals ritmisch wiegen of hoofdbonken. Dergelijke gedragingen worden soms gezien bij kinderen die langdurig weinig sociale interactie hebben gehad. Ook lichamelijke gevolgen kunnen optreden. Kinderen die langdurig onvoldoende zorg ontvangen kunnen een groeiachterstand ontwikkelen. Dit kan het gevolg zijn van fysieke verwaarlozing, maar groeivertraging kan ook ontstaan wanneer kinderen wel voldoende voeding krijgen maar geen stabiele emotionele relatie met een verzorger kunnen ontwikkelen. Dit werd in het verleden bijvoorbeeld gezien bij kinderen die opgroeiden in grootschalige instellingen met weinig individuele aandacht. Wanneer kinderen later alsnog in een stabiele en veilige omgeving terechtkomen, bijvoorbeeld na adoptie of plaatsing in een pleeggezin, kunnen veel lichamelijke en ontwikkelingsproblemen zich herstellen. Toch kunnen kwetsbaarheden in het sociaal-emotioneel functioneren langer blijven bestaan.

Gevolgen op latere leeftijd

Hoewel de specifieke DSM-diagnosen vooral betrekking hebben op jonge kinderen, kunnen problemen die samenhangen met verstoorde vroege hechting ook op latere leeftijd doorwerken. Volwassenen met een geschiedenis van ernstige verwaarlozing of instabiele opvoedsituaties kunnen bijvoorbeeld kampen met een laag zelfbeeld, verhoogde stressgevoeligheid, moeite met vertrouwen in relaties en problemen met emotieregulatie. Het is echter belangrijk te benadrukken dat deze latere problemen niet automatisch betekenen dat er sprake is van een hechtingsstoornis in strikte diagnostische zin. De DSM-diagnosen hebben betrekking op specifieke ontwikkelingspatronen in de vroege kinderjaren.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-5-TR). Washington, DC: APA Publishing.
  • Minnis, H, Macmillan S, Pritchett R, Young D, Wallace B, Butcher J & Gillberg C. (2013). Prevalence of reactive attachment disorder in a deprived population. The British Journal of Psychiatry, 202, 342–346.
  • GGZ-Standaard Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen: Hechtingsstoornissen. (2020)
  • Rutter, M., Kreppner J & Sonuga-Barke E. (2009). Emanuel Miller Lecture: Attachment insecurity, disinhibited attachment, and attachment disorders. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 50, 529–543.
  • Zeanah CH & Gleason MM. (2015). Annual Research Review: Attachment disorders in early childhood – clinical presentation, causes, correlates, and treatment. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 56(3), 207–222.

Hechtingsstoornissen zijn zeldzame maar ernstige ontwikkelingsstoornissen die ontstaan wanneer jonge kinderen langdurig onvoldoende zorg, veiligheid en emotionele beschikbaarheid van hun primaire verzorgers ervaren. In de eerste levensjaren is een stabiele gehechtheidsrelatie essentieel voor de ontwikkeling van vertrouwen, emotieregulatie en sociale vaardigheden. Wanneer deze relatie ernstig wordt verstoord door verwaarlozing, mishandeling of herhaalde wisselingen van verzorgers, kan de ontwikkeling van gehechtheid ontregeld raken.
In de DSM-5-TR worden twee specifieke hechtingsstoornissen onderscheiden: de reactieve hechtingsstoornis en de ontremd sociaal contactstoornis. Beide stoornissen hebben een gemeenschappelijke oorsprong in ernstige vroegkinderlijke verwaarlozing, maar uiten zich in duidelijk verschillende gedragspatronen.

Reactieve hechtingsstoornis en ontremd sociaal contactstoornis

Bij de reactieve hechtingsstoornis (RHS) vertoont een kind geremd en emotioneel teruggetrokken gedrag ten opzichte van verzorgers. Het kind zoekt weinig troost wanneer het overstuur is en reageert nauwelijks op troostpogingen. De emotionele expressie is vaak beperkt, en kinderen kunnen een sombere, prikkelbare of angstige indruk maken. De stoornis weerspiegelt een diepgaand gebrek aan vertrouwen in verzorgers.
Bij de ontremd sociaal contactstoornis (OSCS) is het gedrag juist opvallend ongeremd. Het kind zoekt gemakkelijk contact met onbekende volwassenen, vertoont weinig terughoudendheid tegenover vreemden en kan zonder aarzeling met onbekenden meegaan. Het gedrag is onvoldoende afgestemd op de aanwezigheid van de primaire verzorger en wijkt duidelijk af van wat bij de ontwikkelingsleeftijd past.
Hoewel beide stoornissen voortkomen uit vergelijkbare omstandigheden van ernstige verwaarlozing, vertegenwoordigen zij dus twee verschillende ontwikkelingspatronen: een patroon van emotionele terugtrekking tegenover een patroon van sociaal ontremd gedrag.

Kenmerken van hechtingsstoornissen

Hechtingsstoornissen gaan vaak gepaard met bredere ontwikkelingsproblemen. Ernstige verwaarlozing in de vroege kindertijd kan leiden tot achterstanden in de cognitieve ontwikkeling en taalontwikkeling. Sommige kinderen vertonen stereotiep zelfstimulerend gedrag, zoals ritmisch wiegen of hoofdbonken. Dergelijke gedragingen worden soms gezien bij kinderen die langdurig weinig sociale interactie hebben gehad. Ook lichamelijke gevolgen kunnen optreden. Kinderen die langdurig onvoldoende zorg ontvangen kunnen een groeiachterstand ontwikkelen. Dit kan het gevolg zijn van fysieke verwaarlozing, maar groeivertraging kan ook ontstaan wanneer kinderen wel voldoende voeding krijgen maar geen stabiele emotionele relatie met een verzorger kunnen ontwikkelen. Dit werd in het verleden bijvoorbeeld gezien bij kinderen die opgroeiden in grootschalige instellingen met weinig individuele aandacht. Wanneer kinderen later alsnog in een stabiele en veilige omgeving terechtkomen, bijvoorbeeld na adoptie of plaatsing in een pleeggezin, kunnen veel lichamelijke en ontwikkelingsproblemen zich herstellen. Toch kunnen kwetsbaarheden in het sociaal-emotioneel functioneren langer blijven bestaan.

Gevolgen op latere leeftijd

Hoewel de specifieke DSM-diagnosen vooral betrekking hebben op jonge kinderen, kunnen problemen die samenhangen met verstoorde vroege hechting ook op latere leeftijd doorwerken. Volwassenen met een geschiedenis van ernstige verwaarlozing of instabiele opvoedsituaties kunnen bijvoorbeeld kampen met een laag zelfbeeld, verhoogde stressgevoeligheid, moeite met vertrouwen in relaties en problemen met emotieregulatie. Het is echter belangrijk te benadrukken dat deze latere problemen niet automatisch betekenen dat er sprake is van een hechtingsstoornis in strikte diagnostische zin. De DSM-diagnosen hebben betrekking op specifieke ontwikkelingspatronen in de vroege kinderjaren.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-5-TR). Washington, DC: APA Publishing.
  • Minnis, H, Macmillan S, Pritchett R, Young D, Wallace B, Butcher J & Gillberg C. (2013). Prevalence of reactive attachment disorder in a deprived population. The British Journal of Psychiatry, 202, 342–346.
  • GGZ-Standaard Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen: Hechtingsstoornissen. (2020)
  • Rutter, M., Kreppner J & Sonuga-Barke E. (2009). Emanuel Miller Lecture: Attachment insecurity, disinhibited attachment, and attachment disorders. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 50, 529–543.
  • Zeanah CH & Gleason MM. (2015). Annual Research Review: Attachment disorders in early childhood – clinical presentation, causes, correlates, and treatment. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 56(3), 207–222.