Oppositioneel-opstandige stoornis (ODD)

Meer informatie
No items found.

Oppositioneel-opstandige stoornis (ODD)

De oppositioneel-opstandige stoornis (Oppositional Defiant Disorder, ODD)) beschrijft een patroon van prikkelbaarheid, boosheid, discussiëren en opzettelijke ongehoorzaamheid dat verder gaat dan wat passend is voor de leeftijd of de ontwikkelingsfase. Kinderen en jongeren met ODD hebben vaak moeite met emotieregulatie en reageren sneller en heftiger op frustratie. Het gaat om gedrag dat gedurende langere tijd aanwezig is en dat leidt tot spanning binnen het gezin, op school of in sociale relaties.

Volgens de criteria van de DSM-5 moet dit patroon ten minste zes maanden bestaan en duidelijk zichtbaar zijn in interacties met ouders, leerkrachten of andere gezagsdragers. ODD wordt vaak zichtbaar in de vroege schooljaren, maar kan ook later ontstaan. De stoornis staat op zichzelf, maar komt regelmatig voor samen met ADHD, angst- of stemmingsproblemen of bredere gedragsstoornissen.

In de ontwikkeling van ODD spelen meerdere factoren een rol. Erfelijke kwetsbaarheden, moeilijk temperament, problemen in emotieregulatie en een langere geschiedenis van negatieve interactiepatronen binnen het gezin of schoolcontext versterken elkaar vaak. Het gaat meestal niet om onwil, maar om een combinatie van beperkte regulatievaardigheden en escalatiepatronen die zich gedurende jaren kunnen inslijpen. De sociale context, verwachtingen vanuit de omgeving en de manier waarop volwassenen reageren op het gedrag bepalen mede hoe hardnekkig het patroon wordt.

Behandeling richt zich op het verbeteren van emotieregulatie, het herkennen van spanningsopbouw en het versterken van alternatief gedrag dat controleerbaarder en minder escalatiegevoelig is. Interventies zijn meestal systeemgericht, omdat de interactie tussen kind en omgeving een grote rol speelt. Ouders krijgen vaak ondersteuning in hoe zij grenzen kunnen bieden zonder strijd te vergroten. Het doel is doorgaans stabilisatie, herstel van interactiepatronen en het vergroten van voorspelbaarheid en rust in het dagelijks functioneren

Literatuur

American Psychiatric Association. (2013). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (5e editie).
Frick, P. J., & Nigg, J. T. (2012). Current issues in the diagnosis of disruptive behavior disorders. Clinical Psychology Review, 32(8), 532–544.
Burke, J. D., Rowe, R., & Boylan, K. (2014). Functional outcomes of child and adolescent oppositional defiant disorder symptoms. Journal of Abnormal Psychology, 123(1), 256–267.
Maughan, B., & Stringaris, A. (2013). The contribution of temperament to ODD and conduct disorder. Child and Adolescent Psychiatric Clinics, 22(3), 389–398.

Oppositioneel-opstandige stoornis (ODD)

De oppositioneel-opstandige stoornis (Oppositional Defiant Disorder, ODD)) beschrijft een patroon van prikkelbaarheid, boosheid, discussiëren en opzettelijke ongehoorzaamheid dat verder gaat dan wat passend is voor de leeftijd of de ontwikkelingsfase. Kinderen en jongeren met ODD hebben vaak moeite met emotieregulatie en reageren sneller en heftiger op frustratie. Het gaat om gedrag dat gedurende langere tijd aanwezig is en dat leidt tot spanning binnen het gezin, op school of in sociale relaties.

Volgens de criteria van de DSM-5 moet dit patroon ten minste zes maanden bestaan en duidelijk zichtbaar zijn in interacties met ouders, leerkrachten of andere gezagsdragers. ODD wordt vaak zichtbaar in de vroege schooljaren, maar kan ook later ontstaan. De stoornis staat op zichzelf, maar komt regelmatig voor samen met ADHD, angst- of stemmingsproblemen of bredere gedragsstoornissen.

In de ontwikkeling van ODD spelen meerdere factoren een rol. Erfelijke kwetsbaarheden, moeilijk temperament, problemen in emotieregulatie en een langere geschiedenis van negatieve interactiepatronen binnen het gezin of schoolcontext versterken elkaar vaak. Het gaat meestal niet om onwil, maar om een combinatie van beperkte regulatievaardigheden en escalatiepatronen die zich gedurende jaren kunnen inslijpen. De sociale context, verwachtingen vanuit de omgeving en de manier waarop volwassenen reageren op het gedrag bepalen mede hoe hardnekkig het patroon wordt.

Behandeling richt zich op het verbeteren van emotieregulatie, het herkennen van spanningsopbouw en het versterken van alternatief gedrag dat controleerbaarder en minder escalatiegevoelig is. Interventies zijn meestal systeemgericht, omdat de interactie tussen kind en omgeving een grote rol speelt. Ouders krijgen vaak ondersteuning in hoe zij grenzen kunnen bieden zonder strijd te vergroten. Het doel is doorgaans stabilisatie, herstel van interactiepatronen en het vergroten van voorspelbaarheid en rust in het dagelijks functioneren

Literatuur

American Psychiatric Association. (2013). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (5e editie).
Frick, P. J., & Nigg, J. T. (2012). Current issues in the diagnosis of disruptive behavior disorders. Clinical Psychology Review, 32(8), 532–544.
Burke, J. D., Rowe, R., & Boylan, K. (2014). Functional outcomes of child and adolescent oppositional defiant disorder symptoms. Journal of Abnormal Psychology, 123(1), 256–267.
Maughan, B., & Stringaris, A. (2013). The contribution of temperament to ODD and conduct disorder. Child and Adolescent Psychiatric Clinics, 22(3), 389–398.