De ziekte van Creutzfeldt-Jakob (ZCJ) behoort tot de prionziekten, ook wel spongiforme encefalopathieën genoemd. Dit zijn zeldzame, maar ernstige aandoeningen van de hersenen die worden veroorzaakt door verkeerd gevouwen eiwitten (prionen). Deze afwijkende eiwitten kunnen andere eiwitten in de hersenen dwingen om eveneens verkeerd te vouwen, waardoor geleidelijk schade ontstaat aan zenuwcellen. Hierdoor krijgt het hersenweefsel een sponsachtig uiterlijk.
ZCJ komt meestal sporadisch voor en begint doorgaans op latere leeftijd, vaak rond of na het zestigste levensjaar. De incidentie bedraagt ongeveer één per miljoen mensen per jaar. In een kleiner deel van de gevallen (ongeveer 10–15%) is er sprake van een erfelijke vorm, veroorzaakt door een mutatie in het prioneiwitgen. Zeer zeldzaam zijn iatrogene vormen, die in het verleden zijn beschreven na medische ingrepen zoals behandeling met humaan groeihormoon of transplantatie van dura mater. Door verbeterde screening en veiligheidsmaatregelen worden dergelijke besmettingen tegenwoordig vrijwel niet meer gezien.
Het ziektebeeld kenmerkt zich door een snel progressieve neurocognitieve achteruitgang, vaak in combinatie met gedragsveranderingen, verwardheid en neurologische symptomen. Veelvoorkomende verschijnselen zijn myoclonieën (plotselinge spierschokken), coördinatiestoornissen (ataxie) en soms visuele of sensorische klachten. In tegenstelling tot andere vormen van dementie verloopt ZCJ doorgaans zeer snel, met een ziekteduur van enkele maanden tot maximaal één à twee jaar.
Naast de klassieke vorm bestaat er ook een variant van ZCJ die in verband wordt gebracht met blootstelling aan besmet rundvlees (variant CJD), bekend geworden in de context van boviene spongiforme encefalopathie (BSE, “gekkekoeienziekte”). Deze vorm treedt vaker op bij jongere patiënten en heeft een iets afwijkend klinisch beloop.