De ziekte van Huntington is een erfelijke, progressieve neurodegeneratieve aandoening die wordt gekenmerkt door een combinatie van motorische, cognitieve en psychiatrische symptomen. De ziekte wordt autosomaal dominant overgeërfd, wat betekent dat kinderen van een aangedane ouder een kans van 50% hebben om de ziekte te erven. De aandoening werd in 1872 beschreven door George Huntington. De ziekte kent een geleidelijk beloop en leidt uiteindelijk tot ernstige beperkingen in het functioneren.
Prevalentie
De prevalentie bedraagt ongeveer 7 tot 10 per 100.000 mensen. In Nederland komt dit neer op circa 1.200 tot 1.600 patiënten. Daarnaast is er een grotere groep risicodragers, die een verhoogde kans hebben om de ziekte te ontwikkelen doordat één van de ouders aangedaan is.
Verloop
De eerste symptomen ontstaan meestal tussen het 30e en 50e levensjaar, hoewel er variatie bestaat. Het begin is vaak subtiel en kan zich uiten in gedragsveranderingen, motorische onrust of cognitieve problemen. Het ziektebeloop is langzaam progressief. In de vroege fase staan vaak subtiele veranderingen in gedrag, stemming of motoriek op de voorgrond. Naarmate de ziekte vordert, nemen zowel de bewegingsstoornissen als de cognitieve achteruitgang toe. In een later stadium ontstaat een beeld van uitgebreide neurocognitieve stoornis, met toenemende afhankelijkheid in het dagelijks functioneren. De ziekte heeft gemiddeld een duur van 15 tot 20 jaar vanaf het begin van de symptomen. Overlijden treedt meestal op door complicaties, zoals infecties of ondervoeding.
Oorzaak
De ziekte van Huntington wordt veroorzaakt door een genetische afwijking in het HTT-gen op chromosoom 4. Hierbij is sprake van een abnormale herhaling (CAG-repeat) in het DNA. Wanneer het aantal herhalingen boven een bepaalde grens ligt (meestal ≥40), ontstaat een afwijkend eiwit (huntingtine) dat toxisch is voor zenuwcellen. Deze genetische afwijking leidt tot geleidelijke afbraak van neuronen, met name in de basale kernen van de hersenen, zoals de nucleus caudatus en het putamen. In een later stadium treedt ook meer diffuse schade op in de hersenschors. De diagnose kan met grote zekerheid worden gesteld door middel van genetisch onderzoek. Onderzoek bij risicodragers is mogelijk, maar vraagt om zorgvuldige begeleiding vanwege de psychologische impact.
Symptomen
De ziekte van Huntington wordt gekenmerkt door een combinatie van motorische, cognitieve en psychiatrische symptomen, die in ernst en volgorde kunnen variëren.
Motorische symptomen bestaan vaak uit choreatische bewegingen: snelle, onwillekeurige en onregelmatige bewegingen van gezicht en ledematen. Daarnaast kunnen ook tragere, kronkelende bewegingen optreden, evenals problemen met balans en coördinatie. In latere stadia kunnen de bewegingen juist trager en stijver worden.
Cognitieve stoornissen hebben in het begin vaak een zogenoemd subcorticaal patroon, met mentale traagheid, moeite met aandacht en verminderde flexibiliteit in denken. Geheugenproblemen betreffen vooral het ophalen van informatie. In de loop van de ziekte ontstaat een meer globale cognitieve achteruitgang.
Psychiatrische symptomen komen frequent voor en kunnen soms het eerste teken van de ziekte zijn. Veelvoorkomende klachten zijn depressie, prikkelbaarheid, apathie en veranderingen in persoonlijkheid. Ook angst- en dwangklachten en psychotische symptomen kunnen voorkomen.
De combinatie van deze drie domeinen maakt de ziekte van Huntington klinisch complex en vaak belastend voor zowel patiënt als omgeving.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Publishing.
- McColgan P & Tabrizi SJ. (2018). Huntington’s disease: A clinical review. European Journal of Neurology, 25(1), 24–34.
- Ross CA et al. (2014). Huntington disease: Natural history, biomarkers and prospects for therapeutics. Nature Reviews Neurology, 10(4), 204–216.
- Walker FO. (2007). Huntington’s disease. The Lancet, 369(9557), 218–228.