Zelfbeschadiging, ook wel automutilatie of zelfverwonding genoemd, is het opzettelijk beschadigen van het eigen lichaam. Het gaat bijvoorbeeld om snijden, krassen, branden, slaan, wondjes openkrabben of met het hoofd ergens tegenaan bonken. Zelfbeschadiging komt voor bij jongeren en volwassenen en kan sterk in ernst verschillen. Zelfbeschadiging is geen stoornis op zichzelf, maar een symptoom of een manier om met heftige spanning of emoties om te gaan. Voor buitenstaanders is dit gedrag vaak moeilijk te begrijpen. Toch is het voor de persoon zelf meestal geen “aandacht vragen” in simpele zin, maar een manier om iets ondraaglijks hanteerbaar te maken.
Belangrijk is ook dat zelfbeschadiging niet automatisch betekent dat iemand wil overlijden. Veel mensen die zichzelf beschadigen, doen dit niet met een suïcidale bedoeling, maar om spanning te ontladen, emoties te reguleren of zichzelf weer “te voelen”. Tegelijkertijd is zelfbeschadiging wel een belangrijk alarmsignaal, omdat het samenhangt met een verhoogd risico op ernstiger psychische ontregeling en suïcidaliteit.
Waarom beschadigen mensen zichzelf?
Zelfbeschadiging heeft meestal een functie. Het is vaak een manier om iets psychisch ondraaglijks tijdelijk te beïnvloeden. Mensen beschrijven bijvoorbeeld dat de innerlijke spanning even afneemt, dat emotionele chaos tijdelijk overzichtelijker wordt, of dat gevoelens van leegte, verdoving of dissociatie even doorbroken worden.
Soms speelt ook zelfbestraffing een rol. Iemand kan zich intens schuldig, vies, waardeloos of boos op zichzelf voelen en die innerlijke pijn letterlijk op het lichaam gaan uitdrukken. Bij anderen helpt de lichamelijke pijn juist om heftige emoties zoals angst, woede, paniek of schaamte kortdurend te reguleren.
Bij een deel van de mensen is zelfbeschadiging ook een manier om psychische nood zichtbaar te maken wanneer woorden tekortschieten. Niet omdat iemand “zich aanstelt”, maar omdat spanning, wanhoop of een gevoel van verlatenheid niet meer op een andere manier geuit kunnen worden.
Juist omdat zelfbeschadiging vaak op korte termijn iets “oplost”, kan het hardnekkig worden. Wat begint als een noodgreep, kan uitgroeien tot een patroon dat zichzelf in stand houdt.
Bij welke aandoeningen komt zelfbeschadiging voor?
Zelfbeschadiging kan voorkomen bij verschillende psychische problemen. Het wordt relatief vaak gezien bij mensen met traumagerelateerde klachten, borderline persoonlijkheidsproblematiek, depressieve klachten, eetstoornissen, dissociatieve klachten en soms ook bij autismespectrumstoornissen of een verstandelijke beperking. Ook bij psychose of ernstige ontregeling kan zelfbeschadiging voorkomen, bijvoorbeeld wanneer iemand reageert op wanen of bevelshallucinaties. Dat betekent niet dat iedereen die zichzelf beschadigt dezelfde onderliggende problematiek heeft. De betekenis van het gedrag verschilt per persoon. Daarom is het belangrijk om niet alleen naar de wond te kijken, maar vooral naar de functie en de context.
Zelfbeschadiging is een ernstig signaal
Zelfbeschadiging is vaak een teken dat iemand psychisch onder grote druk staat. Het kan leiden tot schaamte, geheimhouding, sociale terugtrekking en een vicieuze cirkel van spanning, zelfhaat en opnieuw beschadigen. Veel mensen schamen zich achteraf voor wat ze gedaan hebben, waardoor de kans groter wordt dat ze zich verder isoleren. Ook lichamelijk kan het gevolgen hebben. Er kunnen infecties, zenuwschade, blijvende littekens of andere complicaties ontstaan. Daarnaast weten we uit onderzoek dat mensen die zichzelf beschadigen gemiddeld een verhoogd risico hebben op latere suïcidaliteit, herhaalde crisiscontacten en een slechtere algemene gezondheid. Zelfbeschadiging moet daarom altijd serieus genomen worden, ook als iemand zegt “niet dood te willen”.
Prevalentie
Zelfbeschadiging komt vooral voor in de adolescentie en jongvolwassenheid, maar kan ook op latere leeftijd voorkomen. Het begint vaak in de puberteit of jongvolwassen jaren, juist in een levensfase waarin emoties, identiteit, relaties en stressregulatie sterk in ontwikkeling zijn. Onder jongeren komt zelfbeschadiging veel vaker voor dan lang werd gedacht. De exacte cijfers verschillen per onderzoek en per definitie, maar internationale studies laten zien dat zelfbeschadiging en niet-suïcidale zelfverwonding relatief vaak voorkomen onder adolescenten. Ook bij jongere kinderen kan het voorkomen, al is dat duidelijk minder vaak. Meisjes en jonge vrouwen rapporteren het gemiddeld vaker, maar het komt ook bij jongens en mannen voor en wordt daar mogelijk geregeld minder herkend
Behandeling
De behandeling van zelfbeschadiging richt zich niet alleen op het stoppen van het gedrag, maar vooral op het begrijpen van de functie ervan. De centrale vraag is meestal niet alleen: “Hoe stoppen we dit?”, maar ook: “Wat probeert dit gedrag op te lossen?” Een goede behandeling begint met een zorgvuldige beoordeling van de veiligheid, de ernst van de verwondingen, eventuele suïcidale gedachten en de psychische context. Zelfbeschadiging moet niet worden afgedaan als “manipulatief” of “aandachttrekkend”, maar serieus en zonder oordeel worden onderzocht. Richtlijnen adviseren daarom telkens opnieuw een zorgvuldige psychosociale beoordeling, juist omdat de betekenis en het risico per episode kunnen verschillen.
Psychotherapie vormt meestal de kern van de behandeling. Afhankelijk van de onderliggende problematiek kan de behandeling zich richten op emotieregulatie, traumaverwerking, impulscontrole, zelfbeeld, dissociatie of interpersoonlijke problemen. Bij mensen die zichzelf beschadigen in het kader van sterke emotieregulatieproblemen of persoonlijkheidsproblematiek kan een behandeling met aandacht voor vaardigheden zoals spanning reguleren, impulsen leren verdragen en gevoelens beter leren herkennen bijzonder helpend zijn.
Daarnaast wordt vaak gewerkt aan het herkennen van triggers en het ontwikkelen van alternatieve manieren om spanning te reguleren. Dat kan bijvoorbeeld bestaan uit beter leren signaleren wanneer spanning oploopt, gevoelens eerder onder woorden brengen, een crisis- of veiligheidsplan maken, steun inschakelen of oefenen met andere manieren om ontregeling te doorstaan.
Medicatie is meestal niet de primaire behandeling van zelfbeschadiging zelf, maar kan soms wel een rol spelen wanneer er ook sprake is van bijvoorbeeld een depressie, psychose, bipolaire stoornis of ernstige angstklachten. De behandeling moet dan vooral gericht zijn op de onderliggende aandoening.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). DSM-5-TR fact sheets: Suicidal behavior and nonsuicidal self-injury. American Psychiatric Association.
- Apicella M et al. (2025). Non-suicidal self-injury in adolescents: A clinician’s guide to assessment and intervention. Children, 12(8), Article 928.
- Lim, KS et al.(2019). Global lifetime and 12-month prevalence of suicidal behavior, deliberate self-harm and non-suicidal self-injury in children and adolescents between 1989 and 2018: A meta-analysis. International Journal of Environmental Research and Public Health, 16(22), 4581.
- National Institute for Health and Care Excellence. (2022). Self-harm: Assessment, management and preventing recurrence (NG225). NICE.
- National Institute for Health and Care Excellence. (2022). Self-harm: Quality standard (QS34). NICE.
- Ross E et al. (2023). Mortality risk following self-harm in young people. BJPsych Open, 10(2), e50.
- Ruuska SM et al. (2024). All-cause and suicide mortalities among adolescents and young adults with self-harm and psychiatric morbidity. JAMA Network Open, 7(1), e2353490.