Een delier is een acute neuropsychiatrische ontregeling die ontstaat als directe uiting van een somatische aandoening, intoxicatie, onttrekking of een combinatie van factoren. De kern van het beeld is een in korte tijd ontstane stoornis in aandacht en bewustzijn, meestal met een fluctuerend beloop in de loop van de dag. Daarnaast zijn er vaak bijkomende cognitieve stoornissen, zoals desoriëntatie, geheugenproblemen, onsamenhangend denken, taalproblemen of gestoorde waarneming. Een delier is dus geen op zichzelf staande psychiatrische ziekte, maar een alarmsymptoom van lichamelijke ontregeling van de hersenen.
In de DSM-5-TR valt het delier onder de neurocognitieve stoornissen. Daarmee wordt benadrukt dat het gaat om een verworven stoornis van cognitief functioneren op basis van hersendisfunctie. Anders dan bij dementie is het begin van een delier acuut of subacuut, en anders dan bij een primaire psychose staan bij een delier de gestoorde aandacht, het wisselende bewustzijn en de fluctuerende ernst van de symptomen op de voorgrond. Juist dat wisselende, grillige beloop maakt het klinisch herkenbaar
Prevalentie
Een delier komt vooral voor bij oudere, kwetsbare en somatisch zieke patiënten. In ziekenhuizen is het een veelvoorkomend syndroom. Grote studies bij oudere opgenomen patiënten laten zien dat delier voorkomt bij meer dan één op de vijf ziekenhuispatiënten, terwijl de prevalentie in algemene ziekenhuispopulaties en medische afdelingen vaak wordt geschat in de orde van ongeveer 10 tot 30 procent, afhankelijk van leeftijd, setting en gebruikte meetmethode. Het risico loopt sterk op bij ernstige ziekte, operatie, intensivecare-opname en in de palliatieve fase.
Bij operaties is het beeld genuanceerder dan oudere handboeken vaak suggereren. De kans op postoperatief delier hangt sterk af van leeftijd, kwetsbaarheid, cognitieve reserve, spoedkarakter van de ingreep en operatietype. In studies bij oudere of kwetsbare patiënten na grote chirurgie worden duidelijk hogere percentages gevonden dan in administratieve databestanden. Ook in de palliatieve fase komt delier zeer frequent voor, vooral in de laatste levensfase.
Veelvoorkomende oorzaken
In de klinische praktijk is een delier vrijwel altijd multifactorieel. Dat betekent dat er zelden één enkele oorzaak is, maar meestal een combinatie van kwetsbaarheid en uitlokkende factoren. Veelvoorkomende lichamelijke oorzaken zijn infecties, zoals een urineweginfectie of longontsteking, maar ook dehydratie, hypoxie, elektrolytstoornissen, hypo- of hyperglykemie en nierfunctiestoornissen.
Daarnaast kunnen cardiovasculaire aandoeningen, zoals hartfalen, hartritmestoornissen of een myocardinfarct, bijdragen aan het ontstaan van een delier. Ook neurologische aandoeningen, zoals dementie, een hersenbloeding, epileptische activiteit, schedelletsel of een hersentumor, vergroten het risico. Bij kwetsbare of ondervoede patiënten moet ook worden gedacht aan deficiënties van vitamine B1, vitamine B12 of foliumzuur.
Geneesmiddelen zijn een belangrijke en vaak onderschatte oorzaak. Vooral middelen met anticholinerge eigenschappen, opioïden, corticosteroïden en combinaties van meerdere geneesmiddelen kunnen een delier uitlokken of verergeren. Ook intoxicatie of onthouding van middelen, met name alcohol en benzodiazepinen, moet altijd worden overwogen.
Verder kunnen postoperatieve stress, pijn, obstipatie, urineretentie, slaaptekort, sensore deprivatie of juist overprikkeling bijdragen aan het ontstaan of voortbestaan van een delier. Juist omdat veel van deze factoren behandelbaar zijn, is zorgvuldige diagnostiek essentieel.
Voortekenen
Vaak zijn er voortekenen voordat een volledig delier ontstaat. Patiënten kunnen onrustiger worden, angstig of prikkelbaar raken, slechter slapen, nachtmerries krijgen, moeite krijgen met volgen van gesprekken of opvallend gevoeliger worden voor licht, geluid en veranderingen in de omgeving. Bij ouderen wordt dit prodromale stadium gemakkelijk gemist, zeker wanneer de klachten worden toegeschreven aan vermoeidheid, pijn of “gewone” verwardheid bij ziekte.
Symptomen
Het delier begint meestal binnen uren tot dagen en kent een fluctuerend beloop. Dat betekent dat de patiënt het ene moment betrekkelijk helder kan overkomen en enkele uren later ernstig verward kan zijn. Kenmerkend is een gestoorde aandacht: de patiënt kan de aandacht niet goed richten, vasthouden of verplaatsen. Vaak is er daarnaast een verlaagd of wisselend bewustzijnsniveau. Dit onderscheidt het delier van veel andere psychiatrische beelden.
Daarnaast treden vaak stoornissen op in de oriëntatie, het geheugen en het denken. Vooral de inprenting van nieuwe informatie is verstoord. De gedachtegang kan traag, onsamenhangend of achterdochtig worden. Illusies en hallucinaties, met name visuele hallucinaties, komen frequent voor. Ook het slaap-waakritme is vaak ontregeld, met nachtelijke toename van onrust en verwardheid.
Psychomotorisch kan een delier zich heel verschillend presenteren. Bij een hyperactief delier vallen agitatie, plukkerig gedrag, roepen, trekken aan lijnen of agressie op. Bij een hypoactief delier staan juist traagheid, terugtrekking, slaperigheid, verminderde responsiviteit en apathie op de voorgrond. Er bestaat ook een gemengd subtype. Het hypoactieve delier is klinisch belangrijk, omdat het minder opvalt en daardoor vaker wordt gemist.
DSM-5-TR
Een stoornis in aandacht en bewustzijn, die in korte tijd ontstaat, duidelijk afwijkt van het eerdere functioneren en in ernst fluctueert gedurende de dag. Daarnaast moet er sprake zijn van ten minste één bijkomende cognitieve stoornis, bijvoorbeeld in geheugen, oriëntatie, taal of waarneming. Het beeld mag niet beter verklaard worden door een andere neurocognitieve stoornis alleen, en er moeten aanwijzingen zijn dat het delier een direct fysiologisch gevolg is van een somatische aandoening, intoxicatie, onttrekking, medicatie of multifactoriële ontregeling.
Diagnostiek
De diagnose delier is in de eerste plaats klinisch. Heteroanamnese is daarbij essentieel, omdat familie of zorgverleners vaak beter kunnen aangeven of er sprake is van een acute verandering ten opzichte van het gebruikelijke functioneren. Bij de beoordeling moet altijd actief worden gezocht naar een onderliggende somatische of toxische oorzaak. Dat betekent in de praktijk aandacht voor infectie, hypoxie, dehydratie, metabole stoornissen, pijn, retentie, obstipatie, recent medicatiegebruik, intoxicaties en onttrekking. Aanvullend onderzoek wordt gericht ingezet op basis van klinische verdenking. Voor screening en vroege herkenning worden tegenwoordig vooral korte bedside-instrumenten gebruikt. De Nederlandse richtlijn noemt onder meer de 4AT, Nu-DESC en DOSS. De 4AT heeft als voordeel dat deze snel af te nemen is en geen uitgebreide training vraagt. Screening vervangt echter nooit het klinisch oordeel: een negatieve score sluit een delier niet volledig uit, zeker niet bij fluctuerende of hypoactieve presentaties. Medicatie heeft een beperktere plaats dan vroeger vaak werd aangenomen.
Behandeling
De behandeling van een delier begint altijd met het behandelen van de oorzaak. Dat betekent in de praktijk: infectie opsporen en behandelen, dehydratie corrigeren, pijn adequaat behandelen, medicatie herzien, intoxicatie of onttrekking herkennen, zuurstoftekort verhelpen, obstipatie of urineretentie opheffen en slaapverstoring of overprikkeling zoveel mogelijk verminderen. Zonder behandeling van de luxerende factoren is symptomatische behandeling zelden voldoende.
Vragenlijst
- Delirium Rating Scale-Revised-98 (DRS-R-98)
internationaal erkend, gevalideerd meetinstrument (schaal) om de ernst van deliriumsymptomen vast te stellen, te diagnosticeren en het beloop te monitoren.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Association.
- Bellelli G et al. (2016). Delirium Day: A nationwide point prevalence study of delirium in older hospitalized patients using an easy standardized diagnostic tool. BMC Medicine, 14, 106.
- Inouye SK, Marcantonio ER & Metzger ED. (2014). Doing damage in delirium: The hazards of antipsychotic treatment in elderly persons. The Lancet Psychiatry, 1(4), 312–315.
- León-Salas B, Trujillo-Martín MM, García-García J et al. (2020). Multicomponent interventions for the prevention of delirium in hospitalized older people: A meta-analysis. Journal of the American Geriatrics Society.
- MacLullich AMJ et al.(4AT consortium). 4AT – Rapid Clinical Test for Delirium Detection.
- Merck Manual Professional Edition. (2025). Delirium.
- National Institute for Health and Care Excellence (NICE). (2023). Delirium: Prevention, diagnosis and management (CG103).
- Richtlijnendatabase. (2024). Delier bij volwassenen en ouderen. Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie / Verenso. Modules over risicofactoren, meetinstrumenten, medicamenteuze en niet-medicamenteuze behandeling.
- Richtlijnendatabase. (2024). Alcoholonthoudingsdelirium.
- Watt CL et al. (2019). The incidence and prevalence of delirium across palliative care settings: A systematic review. Palliative Medicine.