De diagnostiek van dementie is gericht op het vaststellen van de aard en ernst van de cognitieve achteruitgang, het beoordelen van het functioneren in het dagelijks leven en het achterhalen van de onderliggende oorzaak. Dit vraagt om een zorgvuldige en stapsgewijze benadering, waarbij zowel medische als psychologische factoren worden meegenomen.
Een eerste stap bestaat uit een uitgebreide anamnese, bij voorkeur aangevuld met informatie van een naaste. Omdat patiënten zelf vaak beperkt ziekte-inzicht hebben, is heteroanamnese essentieel om een betrouwbaar beeld te krijgen van het beloop, de aard van de klachten en de impact op het dagelijks functioneren. Er wordt specifiek gevraagd naar geheugenproblemen, veranderingen in gedrag of persoonlijkheid, oriëntatie, taal en het vermogen om dagelijkse taken uit te voeren.
Daarnaast is het van belang om het tijdsbeloop in kaart te brengen. Een geleidelijke, progressieve achteruitgang past bij een neurodegeneratief proces, terwijl een acuut of fluctuerend beeld kan wijzen op een delier of een andere somatische oorzaak.
Het cognitief functioneren wordt verder onderzocht met behulp van screeningsinstrumenten, zoals de Mini-Mental State Examination (MMSE) of de Montreal Cognitive Assessment (MoCA). Deze tests geven een globale indruk van het cognitief functioneren, maar zijn onvoldoende om op zichzelf een diagnose te stellen. Bij twijfel of voor verdere differentiatie kan uitgebreid neuropsychologisch onderzoek worden verricht, waarbij verschillende cognitieve domeinen systematisch worden onderzocht.
Naast cognitief functioneren wordt ook het dagelijks functioneren beoordeeld. Het verlies van zelfstandigheid in dagelijkse activiteiten is een belangrijk criterium voor het onderscheid tussen een beperkte en een uitgebreide neurocognitieve stoornis. Hierbij wordt gekeken naar zowel complexe handelingen, zoals financiën en medicatiebeheer, als naar basale activiteiten zoals persoonlijke verzorging.
Lichamelijk en neurologisch onderzoek maken standaard deel uit van de diagnostiek, met als doel somatische oorzaken of bijkomende aandoeningen op te sporen. Aanvullend laboratoriumonderzoek wordt verricht om reversibele oorzaken van cognitieve achteruitgang uit te sluiten, zoals schildklierfunctiestoornissen, vitaminetekorten of infecties.
Beeldvormend onderzoek van de hersenen, meestal met MRI of CT, wordt ingezet om structurele afwijkingen zichtbaar te maken, zoals atrofie, vasculaire schade of ruimte-innemende processen. In specifieke gevallen kan aanvullend onderzoek plaatsvinden, zoals liquoronderzoek of PET-scans, met name bij diagnostische onzekerheid of op jongere leeftijd.
De uiteindelijke diagnose wordt gesteld op basis van een integratie van klinische bevindingen, cognitief onderzoek en aanvullend onderzoek. Hierbij wordt niet alleen vastgesteld of er sprake is van een neurocognitieve stoornis, maar ook welke onderliggende aandoening het meest waarschijnlijk is, zoals de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie of een andere vorm.
Vroege herkenning is van groot belang, omdat dit ruimte biedt voor voorlichting, begeleiding en, waar mogelijk behandeling of beïnvloeding van risicofactoren.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Publishing.
- Dubois B et al. (2014). Advancing research diagnostic criteria for Alzheimer’s disease: The IWG-2 criteria. The Lancet Neurology, 13(6), 614–629.
- Livingston G et al. (2020). Dementia prevention, intervention, and care. The Lancet, 396(10248), 413–446.
- National Institute for Health and Care Excellence (NICE). (2018). Dementia: Assessment, management and support for people living with dementia and their carers (NG97). NICE.
- Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN). (2020). Richtlijn dementie.