Overig neurologisch

Onder de categorie overig neurologisch vallen aandoeningen van het centrale zenuwstelsel die kunnen leiden tot cognitieve achteruitgang, maar niet behoren tot de klassieke neurodegeneratieve of vasculaire dementieën. Het betreft een heterogene groep aandoeningen, waarbij het onderliggende mechanisme sterk kan verschillen.

Een bijzondere subgroep wordt gevormd door de prionziekten, zoals de Ziekte van Creutzfeldt-Jakob en kuru. Deze aandoeningen worden veroorzaakt door abnormaal gevouwen eiwitten (prionen) en kenmerken zich door een zeer snel progressief beloop, met ernstige cognitieve achteruitgang en neurologische symptomen binnen maanden. Hoewel zeldzaam, zijn zij klinisch van belang vanwege het afwijkende beloop en de implicaties voor diagnostiek en infectiepreventie.

Daarnaast kunnen ook andere neurologische aandoeningen leiden tot cognitieve stoornissen. Bij aandoeningen zoals Multiple Sclerose kunnen cognitieve klachten optreden als gevolg van demyelinisatie en hersenschade. Ook hersentumoren, zowel primair als metastatisch, kunnen afhankelijk van hun lokalisatie en groei leiden tot veranderingen in cognitie, gedrag en persoonlijkheid. Traumatisch hersenletsel, bijvoorbeeld na een contusie of herhaald hoofdtrauma, kan eveneens gepaard gaan met langdurige cognitieve en gedragsmatige veranderingen.

Infecties van het centrale zenuwstelsel vormen een andere belangrijke groep. Aandoeningen zoals HIV-geassocieerde neurocognitieve stoornissen, encefalitis en neurosyfilis kunnen leiden tot cognitieve achteruitgang, soms met een subacuut of chronisch beloop. In tegenstelling tot veel neurodegeneratieve aandoeningen zijn sommige van deze oorzaken behandelbaar, waardoor tijdige herkenning van groot belang is.

Gezien de uiteenlopende oorzaken en het vaak atypische beloop is bij deze categorie een brede differentiaaldiagnose en aanvullende diagnostiek noodzakelijk.

Literatuur

  • Geschwind MD. (2015). Prion diseases. Continuum (Minneapolis, Minn.), 21(6 Neuroinfectious Disease), 1612–1638.
  • McKhann GM, Knopman DS, Chertkow H et al. (2011). The diagnosis of dementia due to Alzheimer’s disease: Recommendations from the NIA-AA workgroups. Alzheimer’s & Dementia, 7(3), 263–269.
  • Meier DS, Weiner HL & Guttmann CRG. (2012). Time-series modeling of multiple sclerosis disease activity: A promising window on disease progression and repair potential? Neurotherapeutics, 9(1), 34–43.
  • Sacktor N. (2018). HIV-associated neurocognitive disorders. Continuum (Minneapolis, Minn.), 24(5), 1397–1421.
  • Wilson L, Stewart W, Dams-O’Connor K et al. (2017). The chronic and evolving neurological consequences of traumatic brain injury. The Lancet Neurology, 16(10), 813–825.

Onder de categorie overig neurologisch vallen aandoeningen van het centrale zenuwstelsel die kunnen leiden tot cognitieve achteruitgang, maar niet behoren tot de klassieke neurodegeneratieve of vasculaire dementieën. Het betreft een heterogene groep aandoeningen, waarbij het onderliggende mechanisme sterk kan verschillen.

Een bijzondere subgroep wordt gevormd door de prionziekten, zoals de Ziekte van Creutzfeldt-Jakob en kuru. Deze aandoeningen worden veroorzaakt door abnormaal gevouwen eiwitten (prionen) en kenmerken zich door een zeer snel progressief beloop, met ernstige cognitieve achteruitgang en neurologische symptomen binnen maanden. Hoewel zeldzaam, zijn zij klinisch van belang vanwege het afwijkende beloop en de implicaties voor diagnostiek en infectiepreventie.

Daarnaast kunnen ook andere neurologische aandoeningen leiden tot cognitieve stoornissen. Bij aandoeningen zoals Multiple Sclerose kunnen cognitieve klachten optreden als gevolg van demyelinisatie en hersenschade. Ook hersentumoren, zowel primair als metastatisch, kunnen afhankelijk van hun lokalisatie en groei leiden tot veranderingen in cognitie, gedrag en persoonlijkheid. Traumatisch hersenletsel, bijvoorbeeld na een contusie of herhaald hoofdtrauma, kan eveneens gepaard gaan met langdurige cognitieve en gedragsmatige veranderingen.

Infecties van het centrale zenuwstelsel vormen een andere belangrijke groep. Aandoeningen zoals HIV-geassocieerde neurocognitieve stoornissen, encefalitis en neurosyfilis kunnen leiden tot cognitieve achteruitgang, soms met een subacuut of chronisch beloop. In tegenstelling tot veel neurodegeneratieve aandoeningen zijn sommige van deze oorzaken behandelbaar, waardoor tijdige herkenning van groot belang is.

Gezien de uiteenlopende oorzaken en het vaak atypische beloop is bij deze categorie een brede differentiaaldiagnose en aanvullende diagnostiek noodzakelijk.

Literatuur

  • Geschwind MD. (2015). Prion diseases. Continuum (Minneapolis, Minn.), 21(6 Neuroinfectious Disease), 1612–1638.
  • McKhann GM, Knopman DS, Chertkow H et al. (2011). The diagnosis of dementia due to Alzheimer’s disease: Recommendations from the NIA-AA workgroups. Alzheimer’s & Dementia, 7(3), 263–269.
  • Meier DS, Weiner HL & Guttmann CRG. (2012). Time-series modeling of multiple sclerosis disease activity: A promising window on disease progression and repair potential? Neurotherapeutics, 9(1), 34–43.
  • Sacktor N. (2018). HIV-associated neurocognitive disorders. Continuum (Minneapolis, Minn.), 24(5), 1397–1421.
  • Wilson L, Stewart W, Dams-O’Connor K et al. (2017). The chronic and evolving neurological consequences of traumatic brain injury. The Lancet Neurology, 16(10), 813–825.