De diagnostiek van de eetbuistoornis richt zich op het herkennen van het patroon van eetbuien, het onderscheiden van andere eetstoornissen en het in kaart brengen van de psychische en lichamelijke gevolgen. Een patiënt hoeft niet volledig aan alle DSM-5-TR-criteria te voldoen om wél duidelijk lijdensdruk te ervaren en behandeling nodig te hebben. Wanneer het klachtenbeeld afwijkt van de formele criteria maar wel overduidelijk past binnen het eetstoornisspectrum, kan worden gesproken van een andere gespecificeerde voedings- en eetstoornis (OSFED). In dat geval wordt de diagnose toegespitst op het beeld waar de klachten het meest op lijken. Verder dient elke patiënt bij wie BED wordt vermoed, onderzocht te worden door een arts.
Diagnostisch kader en ernstinschatting
De eetbuistoornis wordt vastgesteld op basis van de DSM-5-TR-criteria. Het gaat om terugkerende episodes van controleverlies over eten, zonder compensatiegedrag. De frequentie van de eetbuien bepaalt de ernst: licht bij één tot drie eetbuien per week, matig bij vier tot zeven, ernstig bij acht tot dertien en extreem ernstig bij veertien of meer eetbuien per week. De DSM adviseert het ernstniveau te verhogen wanneer er bijkomende symptomen zijn, wanneer het functioneren sterker beperkt is of wanneer aanvullende risicoparameters dat rechtvaardigen. De ernstclassificatie wordt regelmatig opnieuw beoordeeld, omdat het beloop per patiënt sterk kan fluctueren.
Anamnese
De diagnostiek begint met een uitgebreide anamnese, gericht op de aard en frequentie van de eetbuien en de omstandigheden waarin zij optreden. Veel patiënten komen niet met een primaire eetstoornisvraag, maar presenteren zich met vermoeidheid, stemmingsschommelingen, maagdarmklachten, gewichtsproblemen of een negatief zelfbeeld. Vragen naar eetpatronen, verlies van controle en gevoelens van schaamte kunnen het onderliggende eetprobleem zichtbaar maken. Het is belangrijk de context mee te nemen: familiegeschiedenis van eetstoornissen of stemmingsstoornissen, ontwikkelingsproblemen, traumatische ervaringen, pesten of langdurige stress kunnen belangrijke aanwijzingen zijn. De hetero-anamnese geeft vaak aanvullende informatie over eetgedrag dat voor patiënt zelf beladen of moeilijk bespreekbaar is.
Meetinstrumenten
Voor het in kaart brengen van de symptomen wordt bij voorkeur gebruikt gemaakt van de Eating Disorder Examination (EDE), het semigestructureerde interview dat internationaal als gouden standaard geldt. Voor jongeren kan de ChEDE worden ingezet. De EDE-Q en ChEDE-Q geven een indruk van ernst en voortgang gedurende de behandeling. Aanvullende instrumenten kunnen worden gebruikt wanneer dat relevant is voor diagnostiek of indicatiestelling, zoals de Lichaamsattitude Vragenlijst (LAV), de Body Cathexis Scale (BCS) of de Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag (NVE). Zorgvuldigheid is belangrijk: teveel testen kan onnodige belasting geven en leidt niet per definitie tot betere diagnostiek. Instrumenten worden bij voorkeur gekozen op basis van de klinische hypothese.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Publishing.
- Fairburn CG (2008). Cognitive behavior therapy and eating disorders. Guilford Press.
- Hay P, Mitchison D, Collado A, González-Chica D, Stocks N & Touyz S. (2017). Burden and health-related quality of life of eating disorders in the Australian population. Journal of Eating Disorders, 5(1), 1–9.
- Udo T & Grilo CM. (2018). Prevalence and correlates of DSM-5 eating disorders in a nationally representative sample of U.S. adults. Biological Psychiatry, 84(5), 345–354.
- Zorgstandaard Eetstoornissen: Eetbuistoornis (2025).