Nagebootste stoornis opgedrongen aan iemand anders / kindermishandeling door falsificatie

Meer informatie
No items found.

De nagebootste stoornis opgelegd aan een ander is een categorie binnen de DSM-5-TR, vallend onder de somatisch-symptoomstoornissen en verwante stoornissen. Hierbij veroorzaakt of vervalst iemand opzettelijk lichamelijke of psychische symptomen bij een ander, meestal een kind of afhankelijke persoon, en presenteert deze vervolgens als ziek, gewond of kwetsbaar. Deze stoornis werd vroeger aangeduid als nagebootste stoornis bij volmacht of Münchausen by proxy. In Nederland wordt tegenwoordig steeds vaker gesproken van kindermishandeling door falsificatie. Die term legt de nadruk minder op de mogelijke psychopathologie of motivatie van de ouder of verzorger, en meer op wat het kind wordt aangedaan. Dat is belangrijk, omdat het voor de bescherming van het kind niet doorslaggevend is waarom een ouder dit doet, maar dát het kind schade oploopt of ernstig risico loopt op schade. Het gaat om een ernstige vorm van kindermishandeling. Een kind kan herhaaldelijk worden blootgesteld aan onnodige medische onderzoeken, behandelingen, ziekenhuisopnames, beperkingen in het dagelijks leven of zelfs directe lichamelijke schade. Ook psychisch kan de schade groot zijn: het kind kan zichzelf gaan zien als ziek, kwetsbaar of afhankelijk, en het vertrouwen in het eigen lichaam en in volwassenen verliezen.

Kenmerken

In de klinische praktijk presenteert de ouder of verzorger het kind als ziek, vaak op een overtuigende en consistente manier. Soms worden klachten overdreven of verzonnen. In andere gevallen worden klachten of afwijkingen actief veroorzaakt, bijvoorbeeld door medicatie toe te dienen, voeding te onthouden, monsters te manipuleren of medische gegevens onjuist weer te geven. De ouder zoekt herhaald medische hulp en speelt daarbij vaak een centrale rol in het ziekteverhaal, terwijl de eigen bijdrage aan het ontstaan of in stand houden van de klachten verborgen blijft.

Een belangrijk signaal is een discrepantie tussen wat over het kind wordt verteld en wat feitelijk wordt gezien. Het ziektebeeld kan hardnekkig of ongebruikelijk zijn, zonder goede medische verklaring. Klachten kunnen vooral optreden in aanwezigheid van de ouder en afnemen wanneer het kind van de ouder gescheiden is. Ook kan er verschil zijn tussen het beeld dat ouders schetsen en het functioneren van het kind op school, bij de kinderopvang of tijdens observatie door andere professionals. Soms functioneert een kind buiten de thuissituatie veel zelfstandiger, actiever of gezonder dan op grond van het ouderlijke verhaal verwacht zou worden.

Ook medische gegevens kunnen vragen oproepen. Er kan sprake zijn van moeilijk te verklaren laboratoriumuitslagen, terugkerende infecties, onduidelijke allergieën, wisselende diagnoses of een voorgeschiedenis van veel medische contacten zonder duidelijke verklaring. In een deel van de gevallen zijn meerdere artsen, ziekenhuizen of instellingen betrokken. Soms is er een voorgeschiedenis van vergelijkbare onverklaarde klachten, beperkingen of ziekte bij broertjes of zusjes.

De ouder of verzorger kan zeer betrokken, zorgzaam en medisch goed geïnformeerd overkomen. Dat maakt herkenning moeilijk. Tegelijk kan er sprake zijn van sterke controle over informatie, bijvoorbeeld door geen toestemming te geven voor contact tussen behandelaren, school of andere betrokken instanties. Ook kunnen professionals onder druk worden gezet, bijvoorbeeld door dreiging met klachten of juridische stappen. Zulke druk mag er niet toe leiden dat zorgen over de veiligheid van het kind niet meer onderzocht worden.

Geen enkel kenmerk is op zichzelf diagnostisch. Het gaat steeds om een patroon van bevindingen dat in samenhang moet worden beoordeeld.

DSM-5-TR

In de DSM-5-TR wordt de diagnose gesteld wanneer er sprake is van het opzettelijk vervalsen of opwekken van lichamelijke of psychische symptomen bij een ander, waarbij aantoonbaar sprake is van misleiding. De betrokkene presenteert het slachtoffer tegenover anderen als ziek, gehandicapt of gewond, terwijl duidelijke externe beloningen ontbreken. Het gedrag kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis.

De DSM-classificatie beschrijft vooral het gedrag van degene die de klachten veroorzaakt of vervalst. Voor de dagelijkse praktijk, zeker bij kinderen, is daarnaast de term kindermishandeling door falsificatie van belang. Die maakt duidelijk dat de veiligheid en ontwikkeling van het kind centraal moeten staan. De motivatie van de ouder of verzorger kan relevant zijn voor latere behandeling, maar bepaalt niet of er sprake is van mishandeling. Doorslaggevend is of het kind door falsificatie, misleiding of opgelegde beperkingen schade ondervindt of risico loopt op schade.

Er bestaat geen specifieke test of vast profiel dat de diagnose kan bevestigen. Vaak is langdurige observatie nodig, evenals zorgvuldige samenwerking tussen medische professionals, Veilig Thuis, vertrouwensartsen, school of kinderopvang en zo nodig jeugdbescherming.

Oorzaken

Waarom iemand dergelijk gedrag vertoont, is vaak moeilijk vast te stellen. Er bestaat geen eenduidige verklaring. In de literatuur worden verschillende factoren beschreven, zoals een sterke behoefte aan aandacht en erkenning, problemen in identiteit en hechting, en een complexe relatie tot zorg en afhankelijkheid. Soms wordt het gedrag begrepen als een poging om via de rol van zorgende ouder betekenis, controle of waardering te verkrijgen. Ook kan er sprake zijn van een ambivalente houding ten opzichte van afhankelijkheid en zorg, waarbij nabijheid wordt gezocht maar tegelijkertijd spanning, controle of agressie een rol spelen. Bij een deel van de betrokkenen is er sprake van onderliggende persoonlijkheidsproblematiek, met name op het gebied van emotieregulatie en interpersoonlijk functioneren. Tegelijk blijft de motivatie in veel gevallen slechts gedeeltelijk begrijpelijk en niet volledig toegankelijk. Voor de bescherming van het kind is het niet nodig om de motivatie volledig te begrijpen. De eerste vraag is of het kind veilig is en of medische klachten, beperkingen of behandelingen voortkomen uit betrouwbare informatie.

Informatie delen en beroepsgeheim

Bij een vermoeden van kindermishandeling door falsificatie is samenwerking tussen professionals essentieel. Juist bij deze vorm van mishandeling kan informatie versnipperd zijn. De ene arts ziet een deel van het medische verhaal, school ziet het dagelijkse functioneren, en Veilig Thuis of de vertrouwensarts kan patronen zichtbaar maken die afzonderlijke professionals niet goed kunnen overzien. Het beroepsgeheim blijft een belangrijk uitgangspunt, maar het is niet absoluut. Wanneer er een redelijk vermoeden van kindermishandeling bestaat, biedt de KNMG-meldcode ruimte om zorgvuldig informatie te delen met Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming of een gecertificeerde instelling. Daarbij wordt steeds afgewogen welke informatie noodzakelijk is om het vermoeden te onderzoeken, de mishandeling te stoppen of de veiligheid van het kind te waarborgen. In principe wordt geprobeerd dit met medeweten of toestemming van betrokkenen te doen, maar toestemming is niet altijd vereist wanneer de veiligheid van het kind in het geding is.

Bij verzoeken van politie of justitie geldt een strenger kader. Zonder toestemming kan informatie alleen worden gedeeld wanneer dit noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de veiligheid van personen te voorkomen en wanneer voldaan is aan de criteria van een conflict van plichten. Ook dan geldt dat zo min mogelijk, maar wel voldoende relevante informatie wordt gedeeld.

Voor artsen en andere hulpverleners is het belangrijk om bij twijfel tijdig advies te vragen, bijvoorbeeld aan Veilig Thuis, een vertrouwensarts, een collega, een jurist of de KNMG-artseninfolijn. Alle afwegingen, overleggen en verstrekte informatie moeten zorgvuldig worden vastgelegd.

Behandeling en bescherming

De eerste en belangrijkste stap is het waarborgen van de veiligheid van het kind. Dat kan betekenen dat medische informatie opnieuw moet worden beoordeeld, dat diagnoses en beperkingen opnieuw moeten worden geëvalueerd, of dat observatie nodig is in een situatie waarin de invloed van de ouder of verzorger beperkt is. Soms is bescherming via jeugdbescherming noodzakelijk.

Behandeling van de ouder of verzorger is complex en vaak moeilijk realiseerbaar. Er is meestal weinig ziekte-inzicht en confrontatie met het gedrag kan leiden tot ontkenning, boosheid, klachtenprocedures of het verbreken van contact. Indien behandeling mogelijk is, richt deze zich op onderliggende psychische problematiek en op het verminderen van schadelijk gedrag. In de praktijk zijn de mogelijkheden echter vaak beperkt.

Voor het kind kan herstel langdurig zijn. Naast medische veiligheid kan psychologische ondersteuning nodig zijn, vooral wanneer het kind jarenlang heeft geleerd zichzelf als ernstig ziek, kwetsbaar of afhankelijk te zien.

Prevalentie

De nagebootste stoornis opgelegd aan een ander, of kindermishandeling door falsificatie, is zeldzaam, maar waarschijnlijk ondergerapporteerd. Betrouwbare incidentiecijfers zijn moeilijk vast te stellen, omdat definities verschillen en gevallen gemakkelijk gemist worden. De impact op het kind kan ingrijpend zijn en langdurige gevolgen hebben voor lichamelijke gezondheid, psychisch functioneren en ontwikkeling.

In gepubliceerde casusreeksen worden sterftecijfers rond de 9 tot 10% genoemd. Bij een aanzienlijk deel van de overlevende kinderen wordt blijvende psychische en soms ook lichamelijke schade beschreven. Deze cijfers moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd, omdat zij vaak gebaseerd zijn op geselecteerde en ernstige gevallen. Onafhankelijk van exacte percentages geldt dat vrijwel elk kind dat aan dit gedrag wordt blootgesteld risico loopt op schade, variërend van medische complicaties door onnodige diagnostiek en behandeling tot verstoringen in de psychische ontwikkeling en het gevoel van veiligheid.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). Washington, DC: APA Publishing.
  • Bass C & Halligan P. (2014). Factitious disorders and malingering: Challenges for clinical assessment and management. The Lancet, 383(9926), 1422–1432.
  • Handreiking Samenwerken bij strafbare kindermishandeling
  • KNMG. (2023). KNMG-meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst.
  • Richtlijn Kindermishandeling door Falsificatie
  • Rosenberg DA. (1987). Web of deceit: A literature review of Münchausen syndrome by proxy. Child Abuse & Neglect, 11(4), 547–563.
  • Worm, P., & Teeuw, R. (2026). Kindermishandeling door falsificatie vraagt om alerte artsen. Medisch Contact.
  • Yates GP & Feldman MD. (2016). Factitious disorder: A systematic review of 455 cases in the professional literature. General Hospital Psychiatry, 41, 20–28.

De nagebootste stoornis opgelegd aan een ander is een categorie binnen de DSM-5-TR, vallend onder de somatisch-symptoomstoornissen en verwante stoornissen. Hierbij veroorzaakt of vervalst iemand opzettelijk lichamelijke of psychische symptomen bij een ander, meestal een kind of afhankelijke persoon, en presenteert deze vervolgens als ziek, gewond of kwetsbaar. Deze stoornis werd vroeger aangeduid als nagebootste stoornis bij volmacht of Münchausen by proxy. In Nederland wordt tegenwoordig steeds vaker gesproken van kindermishandeling door falsificatie. Die term legt de nadruk minder op de mogelijke psychopathologie of motivatie van de ouder of verzorger, en meer op wat het kind wordt aangedaan. Dat is belangrijk, omdat het voor de bescherming van het kind niet doorslaggevend is waarom een ouder dit doet, maar dát het kind schade oploopt of ernstig risico loopt op schade. Het gaat om een ernstige vorm van kindermishandeling. Een kind kan herhaaldelijk worden blootgesteld aan onnodige medische onderzoeken, behandelingen, ziekenhuisopnames, beperkingen in het dagelijks leven of zelfs directe lichamelijke schade. Ook psychisch kan de schade groot zijn: het kind kan zichzelf gaan zien als ziek, kwetsbaar of afhankelijk, en het vertrouwen in het eigen lichaam en in volwassenen verliezen.

Kenmerken

In de klinische praktijk presenteert de ouder of verzorger het kind als ziek, vaak op een overtuigende en consistente manier. Soms worden klachten overdreven of verzonnen. In andere gevallen worden klachten of afwijkingen actief veroorzaakt, bijvoorbeeld door medicatie toe te dienen, voeding te onthouden, monsters te manipuleren of medische gegevens onjuist weer te geven. De ouder zoekt herhaald medische hulp en speelt daarbij vaak een centrale rol in het ziekteverhaal, terwijl de eigen bijdrage aan het ontstaan of in stand houden van de klachten verborgen blijft.

Een belangrijk signaal is een discrepantie tussen wat over het kind wordt verteld en wat feitelijk wordt gezien. Het ziektebeeld kan hardnekkig of ongebruikelijk zijn, zonder goede medische verklaring. Klachten kunnen vooral optreden in aanwezigheid van de ouder en afnemen wanneer het kind van de ouder gescheiden is. Ook kan er verschil zijn tussen het beeld dat ouders schetsen en het functioneren van het kind op school, bij de kinderopvang of tijdens observatie door andere professionals. Soms functioneert een kind buiten de thuissituatie veel zelfstandiger, actiever of gezonder dan op grond van het ouderlijke verhaal verwacht zou worden.

Ook medische gegevens kunnen vragen oproepen. Er kan sprake zijn van moeilijk te verklaren laboratoriumuitslagen, terugkerende infecties, onduidelijke allergieën, wisselende diagnoses of een voorgeschiedenis van veel medische contacten zonder duidelijke verklaring. In een deel van de gevallen zijn meerdere artsen, ziekenhuizen of instellingen betrokken. Soms is er een voorgeschiedenis van vergelijkbare onverklaarde klachten, beperkingen of ziekte bij broertjes of zusjes.

De ouder of verzorger kan zeer betrokken, zorgzaam en medisch goed geïnformeerd overkomen. Dat maakt herkenning moeilijk. Tegelijk kan er sprake zijn van sterke controle over informatie, bijvoorbeeld door geen toestemming te geven voor contact tussen behandelaren, school of andere betrokken instanties. Ook kunnen professionals onder druk worden gezet, bijvoorbeeld door dreiging met klachten of juridische stappen. Zulke druk mag er niet toe leiden dat zorgen over de veiligheid van het kind niet meer onderzocht worden.

Geen enkel kenmerk is op zichzelf diagnostisch. Het gaat steeds om een patroon van bevindingen dat in samenhang moet worden beoordeeld.

DSM-5-TR

In de DSM-5-TR wordt de diagnose gesteld wanneer er sprake is van het opzettelijk vervalsen of opwekken van lichamelijke of psychische symptomen bij een ander, waarbij aantoonbaar sprake is van misleiding. De betrokkene presenteert het slachtoffer tegenover anderen als ziek, gehandicapt of gewond, terwijl duidelijke externe beloningen ontbreken. Het gedrag kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis.

De DSM-classificatie beschrijft vooral het gedrag van degene die de klachten veroorzaakt of vervalst. Voor de dagelijkse praktijk, zeker bij kinderen, is daarnaast de term kindermishandeling door falsificatie van belang. Die maakt duidelijk dat de veiligheid en ontwikkeling van het kind centraal moeten staan. De motivatie van de ouder of verzorger kan relevant zijn voor latere behandeling, maar bepaalt niet of er sprake is van mishandeling. Doorslaggevend is of het kind door falsificatie, misleiding of opgelegde beperkingen schade ondervindt of risico loopt op schade.

Er bestaat geen specifieke test of vast profiel dat de diagnose kan bevestigen. Vaak is langdurige observatie nodig, evenals zorgvuldige samenwerking tussen medische professionals, Veilig Thuis, vertrouwensartsen, school of kinderopvang en zo nodig jeugdbescherming.

Oorzaken

Waarom iemand dergelijk gedrag vertoont, is vaak moeilijk vast te stellen. Er bestaat geen eenduidige verklaring. In de literatuur worden verschillende factoren beschreven, zoals een sterke behoefte aan aandacht en erkenning, problemen in identiteit en hechting, en een complexe relatie tot zorg en afhankelijkheid. Soms wordt het gedrag begrepen als een poging om via de rol van zorgende ouder betekenis, controle of waardering te verkrijgen. Ook kan er sprake zijn van een ambivalente houding ten opzichte van afhankelijkheid en zorg, waarbij nabijheid wordt gezocht maar tegelijkertijd spanning, controle of agressie een rol spelen. Bij een deel van de betrokkenen is er sprake van onderliggende persoonlijkheidsproblematiek, met name op het gebied van emotieregulatie en interpersoonlijk functioneren. Tegelijk blijft de motivatie in veel gevallen slechts gedeeltelijk begrijpelijk en niet volledig toegankelijk. Voor de bescherming van het kind is het niet nodig om de motivatie volledig te begrijpen. De eerste vraag is of het kind veilig is en of medische klachten, beperkingen of behandelingen voortkomen uit betrouwbare informatie.

Informatie delen en beroepsgeheim

Bij een vermoeden van kindermishandeling door falsificatie is samenwerking tussen professionals essentieel. Juist bij deze vorm van mishandeling kan informatie versnipperd zijn. De ene arts ziet een deel van het medische verhaal, school ziet het dagelijkse functioneren, en Veilig Thuis of de vertrouwensarts kan patronen zichtbaar maken die afzonderlijke professionals niet goed kunnen overzien. Het beroepsgeheim blijft een belangrijk uitgangspunt, maar het is niet absoluut. Wanneer er een redelijk vermoeden van kindermishandeling bestaat, biedt de KNMG-meldcode ruimte om zorgvuldig informatie te delen met Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming of een gecertificeerde instelling. Daarbij wordt steeds afgewogen welke informatie noodzakelijk is om het vermoeden te onderzoeken, de mishandeling te stoppen of de veiligheid van het kind te waarborgen. In principe wordt geprobeerd dit met medeweten of toestemming van betrokkenen te doen, maar toestemming is niet altijd vereist wanneer de veiligheid van het kind in het geding is.

Bij verzoeken van politie of justitie geldt een strenger kader. Zonder toestemming kan informatie alleen worden gedeeld wanneer dit noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de veiligheid van personen te voorkomen en wanneer voldaan is aan de criteria van een conflict van plichten. Ook dan geldt dat zo min mogelijk, maar wel voldoende relevante informatie wordt gedeeld.

Voor artsen en andere hulpverleners is het belangrijk om bij twijfel tijdig advies te vragen, bijvoorbeeld aan Veilig Thuis, een vertrouwensarts, een collega, een jurist of de KNMG-artseninfolijn. Alle afwegingen, overleggen en verstrekte informatie moeten zorgvuldig worden vastgelegd.

Behandeling en bescherming

De eerste en belangrijkste stap is het waarborgen van de veiligheid van het kind. Dat kan betekenen dat medische informatie opnieuw moet worden beoordeeld, dat diagnoses en beperkingen opnieuw moeten worden geëvalueerd, of dat observatie nodig is in een situatie waarin de invloed van de ouder of verzorger beperkt is. Soms is bescherming via jeugdbescherming noodzakelijk.

Behandeling van de ouder of verzorger is complex en vaak moeilijk realiseerbaar. Er is meestal weinig ziekte-inzicht en confrontatie met het gedrag kan leiden tot ontkenning, boosheid, klachtenprocedures of het verbreken van contact. Indien behandeling mogelijk is, richt deze zich op onderliggende psychische problematiek en op het verminderen van schadelijk gedrag. In de praktijk zijn de mogelijkheden echter vaak beperkt.

Voor het kind kan herstel langdurig zijn. Naast medische veiligheid kan psychologische ondersteuning nodig zijn, vooral wanneer het kind jarenlang heeft geleerd zichzelf als ernstig ziek, kwetsbaar of afhankelijk te zien.

Prevalentie

De nagebootste stoornis opgelegd aan een ander, of kindermishandeling door falsificatie, is zeldzaam, maar waarschijnlijk ondergerapporteerd. Betrouwbare incidentiecijfers zijn moeilijk vast te stellen, omdat definities verschillen en gevallen gemakkelijk gemist worden. De impact op het kind kan ingrijpend zijn en langdurige gevolgen hebben voor lichamelijke gezondheid, psychisch functioneren en ontwikkeling.

In gepubliceerde casusreeksen worden sterftecijfers rond de 9 tot 10% genoemd. Bij een aanzienlijk deel van de overlevende kinderen wordt blijvende psychische en soms ook lichamelijke schade beschreven. Deze cijfers moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd, omdat zij vaak gebaseerd zijn op geselecteerde en ernstige gevallen. Onafhankelijk van exacte percentages geldt dat vrijwel elk kind dat aan dit gedrag wordt blootgesteld risico loopt op schade, variërend van medische complicaties door onnodige diagnostiek en behandeling tot verstoringen in de psychische ontwikkeling en het gevoel van veiligheid.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). Washington, DC: APA Publishing.
  • Bass C & Halligan P. (2014). Factitious disorders and malingering: Challenges for clinical assessment and management. The Lancet, 383(9926), 1422–1432.
  • Handreiking Samenwerken bij strafbare kindermishandeling
  • KNMG. (2023). KNMG-meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst.
  • Richtlijn Kindermishandeling door Falsificatie
  • Rosenberg DA. (1987). Web of deceit: A literature review of Münchausen syndrome by proxy. Child Abuse & Neglect, 11(4), 547–563.
  • Worm, P., & Teeuw, R. (2026). Kindermishandeling door falsificatie vraagt om alerte artsen. Medisch Contact.
  • Yates GP & Feldman MD. (2016). Factitious disorder: A systematic review of 455 cases in the professional literature. General Hospital Psychiatry, 41, 20–28.