Antidepressiva - zwangerschap

Meer informatie
No items found.

Antidepressiva, met name SSRI’s, worden door ongeveer twee tot drie procent van de zwangere vrouwen gebruikt. De beslissing om antidepressiva tijdens de zwangerschap voort te zetten of te staken vraagt om een zorgvuldige afweging van risico’s en voordelen. Onbehandelde depressie tijdens de zwangerschap is geassocieerd met obstetrische complicaties en kan een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling van het kind. Tegelijkertijd kunnen antidepressiva gepaard gaan met (meestal kleine, maar soms klinisch relevante) risico’s voor de foetus en de pasgeborene. De keuze voor behandeling berust daarom niet op één factor, maar op een weging van beide: de ernst en het beloop van de psychiatrische aandoening enerzijds en de mogelijke effecten van medicatie anderzijds. Deze afweging is per patiënt verschillend en vraagt om een individuele benadering.

Risico's

Uit grote cohortstudies en meta-analyses blijkt dat het gebruik van antidepressiva tijdens de zwangerschap in het algemeen niet gepaard gaat met een duidelijke toename van het risico op congenitale afwijkingen. Er is wel herhaaldelijk een kleine associatie gevonden tussen SSRI-gebruik en cardiovasculaire afwijkingen, met name septumdefecten. Deze associatie is klein en verdwijnt in veel analyses na correctie voor factoren zoals roken, obesitas en de ernst van de depressie. Het absolute risico blijft laag. Voor paroxetine geldt dat in oudere studies een verhoogd risico op cardiale afwijkingen werd gevonden. Hoewel recentere studies dit risico relativeren, wordt uit voorzorg geadviseerd paroxetine bij voorkeur te vermijden bij vrouwen die zwanger zijn of een zwangerschap plannen, indien een gelijkwaardig alternatief beschikbaar is. Indien blootstelling in het eerste trimester heeft plaatsgevonden, kan foetale echocardiografie worden overwogen.

Gebruik van antidepressiva tijdens de zwangerschap lijkt niet samen te hangen met een verhoogd risico op intra-uteriene sterfte. Wel zijn er aanwijzingen voor een licht verhoogd risico op vroeggeboorte en een lager geboortegewicht. Het is echter vaak moeilijk om deze bevindingen los te zien van de invloed van de onderliggende psychiatrische aandoening. Anderzijds is een onbehandelde depressie bij de moeder geassocieerd met ongunstige uitkomsten, waaronder een negatieve invloed op de cognitieve en taalontwikkeling van het kind. Dit onderstreept dat het risico van medicatiegebruik niet los kan worden gezien van het risico van onbehandelde psychopathologie.

Bij pasgeborenen kan blootstelling aan SSRI’s in het derde trimester leiden tot een neonataal adaptatiesyndroom (NAS). Dit komt voor bij ongeveer een kwart van de blootgestelde neonaten en wordt gekenmerkt door prikkelbaarheid, tremor, voedingsproblemen en ademhalingsklachten. De klachten ontstaan meestal binnen enkele dagen na de geboorte en zijn doorgaans mild en zelflimiterend. Daarnaast is er een zeldzame associatie met persisterende pulmonale hypertensie van de neonaat (PPHN). Hoewel het relatieve risico verhoogd is, blijft het absolute risico laag.

In observationeel onderzoek zijn verschillen in vroege ontwikkeling beschreven, met name bij blootstelling in het tweede en derde trimester. Deze bevindingen zijn echter niet consistent en verdwijnen vaak na correctie voor confounders. De klinische betekenis hiervan is daarom onzeker en vormt op zichzelf geen duidelijke basis voor behandelkeuzes, maar kan wel worden meegenomen in de individuele afweging.

Lange termijn ontwikkeling

De mogelijke langetermijneffecten van prenatale blootstelling aan antidepressiva zijn uitgebreid onderzocht. Associaties met ontwikkelingsstoornissen zoals ADHD en autismespectrumstoornissen blijken in goed gecontroleerde studies grotendeels te verdwijnen na correctie voor familiale en genetische factoren. Op basis van het huidige bewijs is er geen overtuigend verband tussen antidepressivagebruik tijdens de zwangerschap en blijvende cognitieve of gedragsmatige ontwikkelingsstoornissen. Eventuele vroege ontwikkelingsverschillen lijken meestal tijdelijk en niet persisterend.

Farmacokinetiek

Tijdens de zwangerschap verandert de farmacokinetiek van verschillende antidepressiva. Onder invloed van fysiologische veranderingen, zoals toename van plasmavolume, veranderde eiwitbinding, veranderde nierklaring en veranderde activiteit van leverenzymen, kunnen bloedspiegels dalen of juist minder voorspelbaar worden. Vooral veranderingen in het cytochroom P450-systeem zijn relevant. De activiteit van CYP2D6 neemt tijdens de zwangerschap meestal toe. Daardoor kunnen de spiegels dalen van middelen die in belangrijke mate via dit enzym worden afgebroken, zoals fluoxetine, paroxetine, citalopram, escitalopram en verschillende tricyclische antidepressiva, waaronder nortriptyline, clomipramine en imipramine. Bij sertraline lijken de gemiddelde concentraties minder sterk te veranderen, maar de verschillen tussen patiënten zijn groot. Voor fluvoxamine, venlafaxine en duloxetine is de voorspelbaarheid beperkter en is minder goed vast te stellen hoe de spiegel zich tijdens de zwangerschap ontwikkelt.De klinische betekenis hiervan verschilt per patiënt. Bij sommige vrouwen kan een dalende spiegel leiden tot terugkeer van klachten, terwijl anderen bij dezelfde dosering stabiel blijven. Monitoring van effect en bijwerkingen blijft daarom leidend. Bij tricyclische antidepressiva en in complexe situaties kan bloedspiegelbepaling behulpzaam zijn.

Keuze

Er is geen eenduidig voorkeursmiddel binnen de groep SSRI’s. In de praktijk wordt vaak gekozen voor middelen met een gunstig veiligheidsprofiel en ruime klinische ervaring, zoals sertraline of citalopram. Paroxetine wordt bij voorkeur vermeden bij vrouwen met een zwangerschapswens, tenzij er specifieke redenen zijn om dit middel voort te zetten. Tricyclische antidepressiva, met name nortriptyline, kunnen een alternatief zijn, mede vanwege de lange gebruikservaring en de mogelijkheid tot spiegelbepaling. Voor middelen zoals duloxetine en bupropion is minder uitgebreide ervaring beschikbaar. De beschikbare gegevens wijzen niet op grote risico’s, maar de onzekerheid is groter dan bij de klassieke middelen.

Borstvoeding

Antidepressiva gaan in wisselende mate over in de moedermelk. De blootstelling van het kind wordt meestal uitgedrukt als relatieve kinddosis. Voor de meeste SSRI’s is deze laag en klinisch doorgaans niet relevant. Sertraline, paroxetine en fluvoxamine leiden meestal tot zeer lage of niet-meetbare spiegels bij het kind en worden daarom vaak als relatief veilig beschouwd tijdens borstvoeding. Fluoxetine en citalopram kunnen hogere spiegels geven, mede door langere halfwaardetijden en actieve metabolieten. Hoewel er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor schadelijke effecten op de korte termijn, zijn de langetermijneffecten minder goed onderzocht

Literatuur

  • American College of Obstetricians and Gynecologists. Treatment and management of mental health conditions during pregnancy and postpartum. ACOG Clinical Practice Guideline No. 5. 2023.  
  • Anderson KN, Lind JN, Simeone RM, et al. Maternal use of specific antidepressant medications during early pregnancy and the risk of selected birth defects. JAMA Psychiatry. 2020;77(12):1246–1255.
  • Andrade C. Gestational Exposure to Antidepressants and Neurodevelopmental Disorders in Offspring. J Clin Psychiatry. 2025 Dec 17;87(1):25f16226. doi: 10.4088/JCP.25f16226. PMID: 41405548.
  • Canadian Paediatric Society. Selective serotonin reuptake inhibitors or serotonin-norepinephrine reuptake inhibitors in pregnancy: infant and childhood outcomes. 2021.  
  • Den Besten-Bertholee D, et al. Sertraline, citalopram and paroxetine in lactation. Frontiers in Pharmacology. 2024.  
  • Huybrechts KF, Palmsten K, Avorn J, et al. Antidepressant use in pregnancy and the risk of cardiac defects. New England Journal of Medicine. 2014;370:2397–2407.
  • Kieler H, Artama M, Engeland A, et al. Selective serotonin reuptake inhibitors during pregnancy and risk of persistent pulmonary hypertension in the newborn. BMJ. 2012;344:d8012.
  • LactMed. Sertraline. Drugs and Lactation Database. Updated 2026.  
  • LactMed. Paroxetine. Drugs and Lactation Database. Updated 2026.  
  • Multidisciplinaire richtlijn “SSRI-gebruik tijdens de zwangerschap en lactatie
  • Reefhuis J, Devine O, Friedman JM, Louik C, Honein MA. Specific SSRIs and birth defects: Bayesian analysis to interpret new data in the context of previous reports. BMJ. 2015;351:h3190.
  • Risselada AJ. Veranderingen in farmacokinetiek tijdens de zwangerschap. Psyfar. 2015;3:51–57.
  • Weissman AM, Levy BT, Hartz AJ, et al. Pooled analysis of antidepressant levels in lactating mothers, breast milk, and nursing infants. American Journal of Psychiatry. 2004;161:1066–1078.
  • UK Teratology Information Service. Use of selective serotonin reuptake inhibitors in pregnancy. UKTIS monograph.  

Antidepressiva, met name SSRI’s, worden door ongeveer twee tot drie procent van de zwangere vrouwen gebruikt. De beslissing om antidepressiva tijdens de zwangerschap voort te zetten of te staken vraagt om een zorgvuldige afweging van risico’s en voordelen. Onbehandelde depressie tijdens de zwangerschap is geassocieerd met obstetrische complicaties en kan een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling van het kind. Tegelijkertijd kunnen antidepressiva gepaard gaan met (meestal kleine, maar soms klinisch relevante) risico’s voor de foetus en de pasgeborene. De keuze voor behandeling berust daarom niet op één factor, maar op een weging van beide: de ernst en het beloop van de psychiatrische aandoening enerzijds en de mogelijke effecten van medicatie anderzijds. Deze afweging is per patiënt verschillend en vraagt om een individuele benadering.

Risico's

Uit grote cohortstudies en meta-analyses blijkt dat het gebruik van antidepressiva tijdens de zwangerschap in het algemeen niet gepaard gaat met een duidelijke toename van het risico op congenitale afwijkingen. Er is wel herhaaldelijk een kleine associatie gevonden tussen SSRI-gebruik en cardiovasculaire afwijkingen, met name septumdefecten. Deze associatie is klein en verdwijnt in veel analyses na correctie voor factoren zoals roken, obesitas en de ernst van de depressie. Het absolute risico blijft laag. Voor paroxetine geldt dat in oudere studies een verhoogd risico op cardiale afwijkingen werd gevonden. Hoewel recentere studies dit risico relativeren, wordt uit voorzorg geadviseerd paroxetine bij voorkeur te vermijden bij vrouwen die zwanger zijn of een zwangerschap plannen, indien een gelijkwaardig alternatief beschikbaar is. Indien blootstelling in het eerste trimester heeft plaatsgevonden, kan foetale echocardiografie worden overwogen.

Gebruik van antidepressiva tijdens de zwangerschap lijkt niet samen te hangen met een verhoogd risico op intra-uteriene sterfte. Wel zijn er aanwijzingen voor een licht verhoogd risico op vroeggeboorte en een lager geboortegewicht. Het is echter vaak moeilijk om deze bevindingen los te zien van de invloed van de onderliggende psychiatrische aandoening. Anderzijds is een onbehandelde depressie bij de moeder geassocieerd met ongunstige uitkomsten, waaronder een negatieve invloed op de cognitieve en taalontwikkeling van het kind. Dit onderstreept dat het risico van medicatiegebruik niet los kan worden gezien van het risico van onbehandelde psychopathologie.

Bij pasgeborenen kan blootstelling aan SSRI’s in het derde trimester leiden tot een neonataal adaptatiesyndroom (NAS). Dit komt voor bij ongeveer een kwart van de blootgestelde neonaten en wordt gekenmerkt door prikkelbaarheid, tremor, voedingsproblemen en ademhalingsklachten. De klachten ontstaan meestal binnen enkele dagen na de geboorte en zijn doorgaans mild en zelflimiterend. Daarnaast is er een zeldzame associatie met persisterende pulmonale hypertensie van de neonaat (PPHN). Hoewel het relatieve risico verhoogd is, blijft het absolute risico laag.

In observationeel onderzoek zijn verschillen in vroege ontwikkeling beschreven, met name bij blootstelling in het tweede en derde trimester. Deze bevindingen zijn echter niet consistent en verdwijnen vaak na correctie voor confounders. De klinische betekenis hiervan is daarom onzeker en vormt op zichzelf geen duidelijke basis voor behandelkeuzes, maar kan wel worden meegenomen in de individuele afweging.

Lange termijn ontwikkeling

De mogelijke langetermijneffecten van prenatale blootstelling aan antidepressiva zijn uitgebreid onderzocht. Associaties met ontwikkelingsstoornissen zoals ADHD en autismespectrumstoornissen blijken in goed gecontroleerde studies grotendeels te verdwijnen na correctie voor familiale en genetische factoren. Op basis van het huidige bewijs is er geen overtuigend verband tussen antidepressivagebruik tijdens de zwangerschap en blijvende cognitieve of gedragsmatige ontwikkelingsstoornissen. Eventuele vroege ontwikkelingsverschillen lijken meestal tijdelijk en niet persisterend.

Farmacokinetiek

Tijdens de zwangerschap verandert de farmacokinetiek van verschillende antidepressiva. Onder invloed van fysiologische veranderingen, zoals toename van plasmavolume, veranderde eiwitbinding, veranderde nierklaring en veranderde activiteit van leverenzymen, kunnen bloedspiegels dalen of juist minder voorspelbaar worden. Vooral veranderingen in het cytochroom P450-systeem zijn relevant. De activiteit van CYP2D6 neemt tijdens de zwangerschap meestal toe. Daardoor kunnen de spiegels dalen van middelen die in belangrijke mate via dit enzym worden afgebroken, zoals fluoxetine, paroxetine, citalopram, escitalopram en verschillende tricyclische antidepressiva, waaronder nortriptyline, clomipramine en imipramine. Bij sertraline lijken de gemiddelde concentraties minder sterk te veranderen, maar de verschillen tussen patiënten zijn groot. Voor fluvoxamine, venlafaxine en duloxetine is de voorspelbaarheid beperkter en is minder goed vast te stellen hoe de spiegel zich tijdens de zwangerschap ontwikkelt.De klinische betekenis hiervan verschilt per patiënt. Bij sommige vrouwen kan een dalende spiegel leiden tot terugkeer van klachten, terwijl anderen bij dezelfde dosering stabiel blijven. Monitoring van effect en bijwerkingen blijft daarom leidend. Bij tricyclische antidepressiva en in complexe situaties kan bloedspiegelbepaling behulpzaam zijn.

Keuze

Er is geen eenduidig voorkeursmiddel binnen de groep SSRI’s. In de praktijk wordt vaak gekozen voor middelen met een gunstig veiligheidsprofiel en ruime klinische ervaring, zoals sertraline of citalopram. Paroxetine wordt bij voorkeur vermeden bij vrouwen met een zwangerschapswens, tenzij er specifieke redenen zijn om dit middel voort te zetten. Tricyclische antidepressiva, met name nortriptyline, kunnen een alternatief zijn, mede vanwege de lange gebruikservaring en de mogelijkheid tot spiegelbepaling. Voor middelen zoals duloxetine en bupropion is minder uitgebreide ervaring beschikbaar. De beschikbare gegevens wijzen niet op grote risico’s, maar de onzekerheid is groter dan bij de klassieke middelen.

Borstvoeding

Antidepressiva gaan in wisselende mate over in de moedermelk. De blootstelling van het kind wordt meestal uitgedrukt als relatieve kinddosis. Voor de meeste SSRI’s is deze laag en klinisch doorgaans niet relevant. Sertraline, paroxetine en fluvoxamine leiden meestal tot zeer lage of niet-meetbare spiegels bij het kind en worden daarom vaak als relatief veilig beschouwd tijdens borstvoeding. Fluoxetine en citalopram kunnen hogere spiegels geven, mede door langere halfwaardetijden en actieve metabolieten. Hoewel er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor schadelijke effecten op de korte termijn, zijn de langetermijneffecten minder goed onderzocht

Literatuur

  • American College of Obstetricians and Gynecologists. Treatment and management of mental health conditions during pregnancy and postpartum. ACOG Clinical Practice Guideline No. 5. 2023.  
  • Anderson KN, Lind JN, Simeone RM, et al. Maternal use of specific antidepressant medications during early pregnancy and the risk of selected birth defects. JAMA Psychiatry. 2020;77(12):1246–1255.
  • Andrade C. Gestational Exposure to Antidepressants and Neurodevelopmental Disorders in Offspring. J Clin Psychiatry. 2025 Dec 17;87(1):25f16226. doi: 10.4088/JCP.25f16226. PMID: 41405548.
  • Canadian Paediatric Society. Selective serotonin reuptake inhibitors or serotonin-norepinephrine reuptake inhibitors in pregnancy: infant and childhood outcomes. 2021.  
  • Den Besten-Bertholee D, et al. Sertraline, citalopram and paroxetine in lactation. Frontiers in Pharmacology. 2024.  
  • Huybrechts KF, Palmsten K, Avorn J, et al. Antidepressant use in pregnancy and the risk of cardiac defects. New England Journal of Medicine. 2014;370:2397–2407.
  • Kieler H, Artama M, Engeland A, et al. Selective serotonin reuptake inhibitors during pregnancy and risk of persistent pulmonary hypertension in the newborn. BMJ. 2012;344:d8012.
  • LactMed. Sertraline. Drugs and Lactation Database. Updated 2026.  
  • LactMed. Paroxetine. Drugs and Lactation Database. Updated 2026.  
  • Multidisciplinaire richtlijn “SSRI-gebruik tijdens de zwangerschap en lactatie
  • Reefhuis J, Devine O, Friedman JM, Louik C, Honein MA. Specific SSRIs and birth defects: Bayesian analysis to interpret new data in the context of previous reports. BMJ. 2015;351:h3190.
  • Risselada AJ. Veranderingen in farmacokinetiek tijdens de zwangerschap. Psyfar. 2015;3:51–57.
  • Weissman AM, Levy BT, Hartz AJ, et al. Pooled analysis of antidepressant levels in lactating mothers, breast milk, and nursing infants. American Journal of Psychiatry. 2004;161:1066–1078.
  • UK Teratology Information Service. Use of selective serotonin reuptake inhibitors in pregnancy. UKTIS monograph.