Nagebootste stoornis

De nagebootste stoornis is een categorie binnen de DSM-5-TR, onder het hoofdstuk somatisch-symptoomstoornissen en verwante stoornissen. Kenmerkend is dat iemand lichamelijke of psychische klachten opzettelijk nabootst, vervalst of zelf opwekt, waarbij misleiding centraal staat. De betrokkene presenteert zich tegenover anderen als ziek, gewond of gehandicapt. Er worden twee vormen onderscheiden: de nagebootste stoornis opgelegd aan zichzelf en de nagebootste stoornis opgelegd aan een ander (bijvoorbeeld een kind of afhankelijke persoon). In beide gevallen is er sprake van misleiding zonder dat duidelijke externe beloningen, zoals financieel voordeel of het ontlopen van verplichtingen, op de voorgrond staan. Daarmee onderscheidt deze stoornis zich van simulatie.

Münchausen en pseudologia fantastica

De nagebootste stoornis opgelegd aan zichzelf werd vroeger vaak aangeduid als het Münchausen-syndroom, genoemd naar Baron von Münchausen, die bekend werd door zijn sterk overdreven en verzonnen reisverhalen. De term werd gebruikt voor patiënten die zich herhaaldelijk met spectaculaire of dramatische klachten in ziekenhuizen presenteerden, vaak gepaard gaand met uitgebreide maar inconsistente medische voorgeschiedenissen. Hoewel de term Münchausen-syndroom nog geregeld wordt gebruikt, heeft deze beperkte diagnostische waarde en wordt hij in de moderne classificatie vermeden. Het beeld dat ermee werd beschreven, vertegenwoordigt waarschijnlijk slechts een klein deel van het spectrum van nagebootste stoornissen.

Het verwante begrip pseudologia fantastica verwijst naar een patroon van pathologisch liegen, waarbij verzonnen verhalen als werkelijkheid worden gepresenteerd. Dit wordt niet als een aparte stoornis in de DSM-5-TR erkend, maar kan wel voorkomen bij patiënten met een nagebootste stoornis en draagt bij aan de complexiteit van het klinisch beeld. Een pseudoloog is iemand die niet simpelweg de feiten verdraait, maar poogt, zichzelf een volledig nieuwe identiteit te scheppen. Het verschaft hem soms status of financieel voordeel, maar vaker zijn de leugens onevenredig ten opzichte van enig specifiek doel. Hoewel de pseudoloog niet duidelijk een waan heeft, kunnen de verzinsels zo uitgebreid en complex worden, dat hij of zij er na verloop van tijd, zelf in gaat geloven.

Kenmerken

Patiënten met een nagebootste stoornis kunnen klachten op verschillende manieren presenteren of opwekken. Dit kan variëren van het overdrijven of verzinnen van symptomen tot het daadwerkelijk veroorzaken van lichamelijke schade, bijvoorbeeld door zelfverwonding of manipulatie van medische testen. De presentatie is vaak opvallend en soms theatraal. Klachten kunnen overtuigend worden beschreven, maar zijn bij nadere beschouwing vaak inconsistent of moeilijk te verifiëren. Er is regelmatig sprake van een uitgebreide medische voorgeschiedenis, contacten met meerdere zorginstellingen en een patroon van herhaald hulpzoeken. Een belangrijk kenmerk is dat de motivatie niet goed verklaard kan worden door externe voordelen. In plaats daarvan lijkt het gedrag samen te hangen met een sterke behoefte om de rol van patiënt aan te nemen. Over de aard van deze motivatie bestaat vaak weinig duidelijkheid.

Oorzaken

De nagebootste stoornis is een complex en heterogeen beeld. In de literatuur worden verschillende verklaringsmodellen beschreven, zonder dat één model afdoende is.
Er zijn aanwijzingen dat vroegkinderlijke traumatische ervaringen, zoals verwaarlozing of instabiele hechting, een rol kunnen spelen. Binnen psychodynamische modellen wordt het gedrag soms begrepen als een poging om controle te krijgen over gevoelens van kwetsbaarheid, afhankelijkheid of afwijzing, of als een manier om aandacht en zorg te verkrijgen. Het fenomeen pseudologia fantastica wordt in dit verband gezien als een meer algemene neiging tot het construeren van een alternatieve identiteit, waarbij zelfwaardering, aandacht en controle een rol kunnen spelen. Het is belangrijk te benadrukken dat deze verklaringen beschrijvend zijn en dat de onderliggende motivatie per patiënt sterk kan verschillen en vaak niet volledig toegankelijk is.

DSM-5-TR

In de DSM-5-TR wordt de diagnose gesteld wanneer er sprake is van het opzettelijk vervalsen of opwekken van lichamelijke of psychische symptomen, waarbij misleiding aantoonbaar is. De betrokkene presenteert zich als ziek, gewond of gehandicapt, terwijl er geen duidelijke externe beloning is die het gedrag verklaart. Het gedrag kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis, zoals een psychotische stoornis. Er kan worden gespecificeerd of het gaat om een eenmalige episode of om recidiverend gedrag.

Epidemiologie

De nagebootste stoornis komt zelden voor, al is de exacte prevalentie moeilijk vast te stellen. Het klassieke Münchausen-syndroom vertegenwoordigt waarschijnlijk slechts een klein deel van de gevallen. Patiënten met een meer uitgesproken en dramatische presentatie zijn vaker mannen, terwijl mildere of minder opvallende vormen vaker worden gezien bij vrouwen, onder andere in de gezondheidszorg.

Behandeling

De behandeling van de nagebootste stoornis is complex en vaak moeilijk. Patiënten hebben doorgaans weinig ziekte-inzicht en confrontatie met het misleidende gedrag kan leiden tot boosheid, wantrouwen of het voortijdig beëindigen van de behandeling. Een zorgvuldige, niet-bestraffende benadering is essentieel. Het opbouwen van een behandelrelatie vraagt tijd en consistentie. Directe confrontatie met het gedrag is zelden effectief en kan contraproductief zijn. De behandeling richt zich in de eerste plaats op het verminderen van schadelijk gedrag en het stabiliseren van het functioneren. Indien mogelijk kan psychotherapie worden ingezet, gericht op onderliggende problematiek zoals identiteitsproblemen, emotieregulatie en interpersoonlijk functioneren. In de praktijk blijft de behandeling vaak ondersteunend van aard.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). Washington, DC: APA Publishing.
  • Bass C & Halligan P. (2014). Factitious disorders and malingering: Challenges for clinical assessment and management. The Lancet, 383(9926), 1422–1432.
  • Fliege H, Grimm A & Eckhardt-Henn A. (2007). Frequency of ICD-10 factitious disorder: Survey of senior hospital consultants and physicians in private practice. Psychosomatics, 48(1), 60–64.
  • Hafkenscheid A & Querido AL. Pseudologia fantastica en het Münchausen-syndroom. In: Joodse identiteit in de geestelijke gezondheidszorg. Assen: Van Gorcum.
  • Yates GP & Feldman MD. (2016). Factitious disorder: A systematic review of 455 cases in the professional literature. General Hospital Psychiatry, 41, 20–28.

De nagebootste stoornis is een categorie binnen de DSM-5-TR, onder het hoofdstuk somatisch-symptoomstoornissen en verwante stoornissen. Kenmerkend is dat iemand lichamelijke of psychische klachten opzettelijk nabootst, vervalst of zelf opwekt, waarbij misleiding centraal staat. De betrokkene presenteert zich tegenover anderen als ziek, gewond of gehandicapt. Er worden twee vormen onderscheiden: de nagebootste stoornis opgelegd aan zichzelf en de nagebootste stoornis opgelegd aan een ander (bijvoorbeeld een kind of afhankelijke persoon). In beide gevallen is er sprake van misleiding zonder dat duidelijke externe beloningen, zoals financieel voordeel of het ontlopen van verplichtingen, op de voorgrond staan. Daarmee onderscheidt deze stoornis zich van simulatie.

Münchausen en pseudologia fantastica

De nagebootste stoornis opgelegd aan zichzelf werd vroeger vaak aangeduid als het Münchausen-syndroom, genoemd naar Baron von Münchausen, die bekend werd door zijn sterk overdreven en verzonnen reisverhalen. De term werd gebruikt voor patiënten die zich herhaaldelijk met spectaculaire of dramatische klachten in ziekenhuizen presenteerden, vaak gepaard gaand met uitgebreide maar inconsistente medische voorgeschiedenissen. Hoewel de term Münchausen-syndroom nog geregeld wordt gebruikt, heeft deze beperkte diagnostische waarde en wordt hij in de moderne classificatie vermeden. Het beeld dat ermee werd beschreven, vertegenwoordigt waarschijnlijk slechts een klein deel van het spectrum van nagebootste stoornissen.

Het verwante begrip pseudologia fantastica verwijst naar een patroon van pathologisch liegen, waarbij verzonnen verhalen als werkelijkheid worden gepresenteerd. Dit wordt niet als een aparte stoornis in de DSM-5-TR erkend, maar kan wel voorkomen bij patiënten met een nagebootste stoornis en draagt bij aan de complexiteit van het klinisch beeld. Een pseudoloog is iemand die niet simpelweg de feiten verdraait, maar poogt, zichzelf een volledig nieuwe identiteit te scheppen. Het verschaft hem soms status of financieel voordeel, maar vaker zijn de leugens onevenredig ten opzichte van enig specifiek doel. Hoewel de pseudoloog niet duidelijk een waan heeft, kunnen de verzinsels zo uitgebreid en complex worden, dat hij of zij er na verloop van tijd, zelf in gaat geloven.

Kenmerken

Patiënten met een nagebootste stoornis kunnen klachten op verschillende manieren presenteren of opwekken. Dit kan variëren van het overdrijven of verzinnen van symptomen tot het daadwerkelijk veroorzaken van lichamelijke schade, bijvoorbeeld door zelfverwonding of manipulatie van medische testen. De presentatie is vaak opvallend en soms theatraal. Klachten kunnen overtuigend worden beschreven, maar zijn bij nadere beschouwing vaak inconsistent of moeilijk te verifiëren. Er is regelmatig sprake van een uitgebreide medische voorgeschiedenis, contacten met meerdere zorginstellingen en een patroon van herhaald hulpzoeken. Een belangrijk kenmerk is dat de motivatie niet goed verklaard kan worden door externe voordelen. In plaats daarvan lijkt het gedrag samen te hangen met een sterke behoefte om de rol van patiënt aan te nemen. Over de aard van deze motivatie bestaat vaak weinig duidelijkheid.

Oorzaken

De nagebootste stoornis is een complex en heterogeen beeld. In de literatuur worden verschillende verklaringsmodellen beschreven, zonder dat één model afdoende is.
Er zijn aanwijzingen dat vroegkinderlijke traumatische ervaringen, zoals verwaarlozing of instabiele hechting, een rol kunnen spelen. Binnen psychodynamische modellen wordt het gedrag soms begrepen als een poging om controle te krijgen over gevoelens van kwetsbaarheid, afhankelijkheid of afwijzing, of als een manier om aandacht en zorg te verkrijgen. Het fenomeen pseudologia fantastica wordt in dit verband gezien als een meer algemene neiging tot het construeren van een alternatieve identiteit, waarbij zelfwaardering, aandacht en controle een rol kunnen spelen. Het is belangrijk te benadrukken dat deze verklaringen beschrijvend zijn en dat de onderliggende motivatie per patiënt sterk kan verschillen en vaak niet volledig toegankelijk is.

DSM-5-TR

In de DSM-5-TR wordt de diagnose gesteld wanneer er sprake is van het opzettelijk vervalsen of opwekken van lichamelijke of psychische symptomen, waarbij misleiding aantoonbaar is. De betrokkene presenteert zich als ziek, gewond of gehandicapt, terwijl er geen duidelijke externe beloning is die het gedrag verklaart. Het gedrag kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis, zoals een psychotische stoornis. Er kan worden gespecificeerd of het gaat om een eenmalige episode of om recidiverend gedrag.

Epidemiologie

De nagebootste stoornis komt zelden voor, al is de exacte prevalentie moeilijk vast te stellen. Het klassieke Münchausen-syndroom vertegenwoordigt waarschijnlijk slechts een klein deel van de gevallen. Patiënten met een meer uitgesproken en dramatische presentatie zijn vaker mannen, terwijl mildere of minder opvallende vormen vaker worden gezien bij vrouwen, onder andere in de gezondheidszorg.

Behandeling

De behandeling van de nagebootste stoornis is complex en vaak moeilijk. Patiënten hebben doorgaans weinig ziekte-inzicht en confrontatie met het misleidende gedrag kan leiden tot boosheid, wantrouwen of het voortijdig beëindigen van de behandeling. Een zorgvuldige, niet-bestraffende benadering is essentieel. Het opbouwen van een behandelrelatie vraagt tijd en consistentie. Directe confrontatie met het gedrag is zelden effectief en kan contraproductief zijn. De behandeling richt zich in de eerste plaats op het verminderen van schadelijk gedrag en het stabiliseren van het functioneren. Indien mogelijk kan psychotherapie worden ingezet, gericht op onderliggende problematiek zoals identiteitsproblemen, emotieregulatie en interpersoonlijk functioneren. In de praktijk blijft de behandeling vaak ondersteunend van aard.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). Washington, DC: APA Publishing.
  • Bass C & Halligan P. (2014). Factitious disorders and malingering: Challenges for clinical assessment and management. The Lancet, 383(9926), 1422–1432.
  • Fliege H, Grimm A & Eckhardt-Henn A. (2007). Frequency of ICD-10 factitious disorder: Survey of senior hospital consultants and physicians in private practice. Psychosomatics, 48(1), 60–64.
  • Hafkenscheid A & Querido AL. Pseudologia fantastica en het Münchausen-syndroom. In: Joodse identiteit in de geestelijke gezondheidszorg. Assen: Van Gorcum.
  • Yates GP & Feldman MD. (2016). Factitious disorder: A systematic review of 455 cases in the professional literature. General Hospital Psychiatry, 41, 20–28.