Antidepressiva - zeldzame bijwerkingen

Naast de veelvoorkomende bijwerkingen kunnen antidepressiva een breed scala aan zeldzame bijwerkingen veroorzaken. Deze komen weinig voor, maar zijn klinisch relevant omdat ze ernstig kunnen verlopen of specifieke herkenning vereisen. Het gaat vaak om bijwerkingen die dosisafhankelijk zijn, samenhangen met individuele gevoeligheid of optreden bij combinatie met andere geneesmiddelen.

Serotoninesyndroom
Het serotoninesyndroom is een potentieel levensbedreigende bijwerking die ontstaat door een overmaat aan serotonerge activiteit, meestal bij combinatie van meerdere serotonerge middelen. Het klinisch beeld wordt gekenmerkt door een combinatie van mentale veranderingen (agitatie, verwardheid), autonome ontregeling (zweten, koorts, diarree) en neuromusculaire symptomen (tremor, hyperreflexie). Het syndroom ontwikkelt zich meestal acuut en vereist snelle herkenning en behandeling.

Extrapiramidale bijwerkingen
Hoewel zeldzaam, kunnen antidepressiva extrapiramidale symptomen veroorzaken, zoals tremor, rigiditeit, acathisie en dystonie. Dit wordt vooral gezien bij serotonerge middelen en lijkt samen te hangen met een indirect effect op dopaminerge systemen.

Bloedingen
Serotonine speelt een rol bij de functie van bloedplaatjes. SSRI’s remmen de opname van serotonine in trombocyten, wat kan leiden tot een verhoogde bloedingsneiging. Dit uit zich bijvoorbeeld in blauwe plekken, neusbloedingen of gastro-intestinale bloedingen. Het risico neemt toe bij combinatie met NSAID’s, antistolling of trombocytenaggregatieremmers.

Hyponatriëmie (te laag natriumgehalte)
Hyponatriëmie komt met name voor bij gebruik van SSRI’s en ontstaat meestal in de eerste weken van behandeling. Het wordt vooral gezien bij oudere patiënten en bij gebruik van diuretica. De klachten zijn in het begin vaak aspecifiek, zoals moeheid, hoofdpijn, misselijkheid en verminderde eetlust, maar kunnen bij ernstiger daling van het natriumgehalte leiden tot verwardheid, insulten, coma en overlijden. Het mechanisme berust vaak op een verhoogde afgifte van antidiuretisch hormoon.

Hormonale bijwerkingen
Antidepressiva kunnen de hormonale regulatie beïnvloeden. SSRI’s kunnen via serotonerge mechanismen leiden tot veranderingen in de prolactineregulatie. Dit kan zich uiten in amenorroe, doorbraakbloedingen, menorragie, tepelvloed en zelden borstvergroting. Deze effecten lijken dosisafhankelijk, maar gaan niet altijd gepaard met een verhoogde prolactinespiegel.

Neurologische en bewegingsstoornissen
Bruxisme (tandenknarsen) is beschreven bij SSRI’s en venlafaxine en lijkt samen te hangen met serotonerge remming van dopaminerge activiteit. De klachten zijn vaak dosisafhankelijk en verminderen meestal na dosisverlaging. Daarnaast kunnen rusteloze benen, periodic limb movement disorder en slaapwandelen optreden of verergeren. Antidepressiva kunnen ook de insultdrempel verlagen, met name tricyclische antidepressiva en maprotiline.

Sensorische bijwerkingen
Tinnitus is zowel bij Lareb als in internationale databanken disproportioneel gemeld bij serotonerge antidepressiva. Mogelijk speelt een effect van serotonine op de vasculaire regulatie in het binnenoor een rol. Daarnaast kunnen smaakveranderingen optreden, vaak in samenhang met anticholinerge effecten of veranderingen in speekselproductie.

Seksuele en urologische bijwerkingen
Priapisme (aanhoudende pijnlijke erectie) is een zeldzame maar ernstige bijwerking van serotonerge antidepressiva. Het risico lijkt toe te nemen bij hogere doseringen. Een aanhoudende erectie is een spoedsituatie en vereist directe medische beoordeling.

Psychiatrische bijwerkingen
In de beginfase van behandeling kunnen antidepressiva leiden tot toegenomen onrust, agitatie en impulsiviteit. Bij jongeren tot ongeveer 25 jaar is er een verhoogd risico op suïcidale gedachten en gedrag, met name in de eerste weken van behandeling. Daarnaast kunnen antidepressiva een (hypo)manische episode uitlokken, vooral bij patiënten met een bipolaire kwetsbaarheid. Dit risico is verhoogd bij ernstige depressies, psychotische kenmerken, familiaire belasting en jongere leeftijd. Agressie is beschreven als bijwerking van verschillende SSRI’s en SNRI’s en is in meerdere bijsluiters opgenomen.

Metabole en somatische bijwerkingen
Antidepressiva kunnen de glucosehuishouding beïnvloeden, hoewel er geen consistente associatie is aangetoond met het ontstaan van diabetes mellitus type 2. Er zijn aanwijzingen dat SSRI’s de botdichtheid kunnen verlagen, met name bij ouderen. Leverfunctiestoornissen zijn zeldzaam, maar beschreven bij meerdere antidepressiva, waaronder duloxetine, tricyclische antidepressiva, mirtazapine en agomelatine.

Cardiovasculaire en overige bijwerkingen
Sommige antidepressiva kunnen invloed hebben op de cardiale geleiding. Citalopram is geassocieerd met QT-verlenging, vooral bij hogere doseringen en bij kwetsbare patiënten. Het absolute risico op ernstige ritmestoornissen is klein. Daarnaast zijn vasculaire effecten beschreven, waaronder een verhoogde kans op bloedingen en mogelijk cerebrovasculaire complicaties. Het risico lijkt mede dosisafhankelijk. Elektrische schoksensaties kunnen optreden bij gebruik van serotonerge antidepressiva, zowel bij starten als bij staken van de medicatie.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2010/2020 update). Practice guideline for the treatment of patients with major depressive disorder.
  • Baldessarini RJ, Tondo L & Vázquez G. (2013). Antidepressant-associated mood-switching and transition from unipolar major depression to bipolar disorder. Journal of Affective Disorders, 148(1), 129–135.
  • Chi-Shin Wu, Sheng-Chang Wang, Yu-Cheng Cheng and Susan Shur-Fen Gau Association of Cerebrovascular Events With Antidepressant Use: A Case-Crossover Study Am J Psychiatry 2011; 168:511-521
  • Cipriani A. et al. (2018). Comparative efficacy and acceptability of 21 antidepressant drugs for the acute treatment of adults with major depressive disorder: a systematic review and network meta-analysis. The Lancet, 391(10128), 1357–1366.
  • de Abajo FJ. & García-Rodríguez LA. (2008). Risk of upper gastrointestinal tract bleeding associated with selective serotonin reuptake inhibitors and venlafaxine therapy. Archives of General Psychiatry, 65, 795–803.
  • Derrijks HJ. Invloed van antidepressiva op de glucosehuishouding. Psyfar (2010) 3: 28-33
  • Kuo, H. K., et al. (2020). Antidepressants and risk of type 2 diabetes mellitus: a population-based nested case-control study. Journal of Clinical Psychopharmacology, 40, 359–365.
  • Movig KLL & Egberts ACG. (2006). Hyponatriëmie als bijwerking van antidepressiva. Psyfar, 3, 40–43.
  • Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb. Signaleringsrapporten en meldingen over SSRI’s en SNRI’s (o.a. bruxisme, tinnitus, agressie, priapisme).
  • Ohayon MM et al. (2012). Prevalence and comorbidity of nocturnal wandering in the general population. Neurology, 78, 1583–1589.
  • Schillevoort I et al. (2002). Extrapyramidal syndromes associated with selective serotonin reuptake inhibitors. International Clinical Psychopharmacology, 17(2), 75–79.\Voican CS, Corruble E, Naveau S & Perlemuter G. (2014). Antidepressant-induced liver injury: a review for clinicians. American Journal of Psychiatry, 171(4), 404–415.
  • Voican CS, Corruble E, Naveau S & Perlemuter G. (2014). Antidepressant-induced liver injury: a review for clinicians. American Journal of Psychiatry, 171(4), 404–415.
  • Yang C, White DP & Winkelman JW. (2005). Antidepressants and periodic leg movements of sleep. Biological Psychiatry, 58, 510–514.

Naast de veelvoorkomende bijwerkingen kunnen antidepressiva een breed scala aan zeldzame bijwerkingen veroorzaken. Deze komen weinig voor, maar zijn klinisch relevant omdat ze ernstig kunnen verlopen of specifieke herkenning vereisen. Het gaat vaak om bijwerkingen die dosisafhankelijk zijn, samenhangen met individuele gevoeligheid of optreden bij combinatie met andere geneesmiddelen.

Serotoninesyndroom
Het serotoninesyndroom is een potentieel levensbedreigende bijwerking die ontstaat door een overmaat aan serotonerge activiteit, meestal bij combinatie van meerdere serotonerge middelen. Het klinisch beeld wordt gekenmerkt door een combinatie van mentale veranderingen (agitatie, verwardheid), autonome ontregeling (zweten, koorts, diarree) en neuromusculaire symptomen (tremor, hyperreflexie). Het syndroom ontwikkelt zich meestal acuut en vereist snelle herkenning en behandeling.

Extrapiramidale bijwerkingen
Hoewel zeldzaam, kunnen antidepressiva extrapiramidale symptomen veroorzaken, zoals tremor, rigiditeit, acathisie en dystonie. Dit wordt vooral gezien bij serotonerge middelen en lijkt samen te hangen met een indirect effect op dopaminerge systemen.

Bloedingen
Serotonine speelt een rol bij de functie van bloedplaatjes. SSRI’s remmen de opname van serotonine in trombocyten, wat kan leiden tot een verhoogde bloedingsneiging. Dit uit zich bijvoorbeeld in blauwe plekken, neusbloedingen of gastro-intestinale bloedingen. Het risico neemt toe bij combinatie met NSAID’s, antistolling of trombocytenaggregatieremmers.

Hyponatriëmie (te laag natriumgehalte)
Hyponatriëmie komt met name voor bij gebruik van SSRI’s en ontstaat meestal in de eerste weken van behandeling. Het wordt vooral gezien bij oudere patiënten en bij gebruik van diuretica. De klachten zijn in het begin vaak aspecifiek, zoals moeheid, hoofdpijn, misselijkheid en verminderde eetlust, maar kunnen bij ernstiger daling van het natriumgehalte leiden tot verwardheid, insulten, coma en overlijden. Het mechanisme berust vaak op een verhoogde afgifte van antidiuretisch hormoon.

Hormonale bijwerkingen
Antidepressiva kunnen de hormonale regulatie beïnvloeden. SSRI’s kunnen via serotonerge mechanismen leiden tot veranderingen in de prolactineregulatie. Dit kan zich uiten in amenorroe, doorbraakbloedingen, menorragie, tepelvloed en zelden borstvergroting. Deze effecten lijken dosisafhankelijk, maar gaan niet altijd gepaard met een verhoogde prolactinespiegel.

Neurologische en bewegingsstoornissen
Bruxisme (tandenknarsen) is beschreven bij SSRI’s en venlafaxine en lijkt samen te hangen met serotonerge remming van dopaminerge activiteit. De klachten zijn vaak dosisafhankelijk en verminderen meestal na dosisverlaging. Daarnaast kunnen rusteloze benen, periodic limb movement disorder en slaapwandelen optreden of verergeren. Antidepressiva kunnen ook de insultdrempel verlagen, met name tricyclische antidepressiva en maprotiline.

Sensorische bijwerkingen
Tinnitus is zowel bij Lareb als in internationale databanken disproportioneel gemeld bij serotonerge antidepressiva. Mogelijk speelt een effect van serotonine op de vasculaire regulatie in het binnenoor een rol. Daarnaast kunnen smaakveranderingen optreden, vaak in samenhang met anticholinerge effecten of veranderingen in speekselproductie.

Seksuele en urologische bijwerkingen
Priapisme (aanhoudende pijnlijke erectie) is een zeldzame maar ernstige bijwerking van serotonerge antidepressiva. Het risico lijkt toe te nemen bij hogere doseringen. Een aanhoudende erectie is een spoedsituatie en vereist directe medische beoordeling.

Psychiatrische bijwerkingen
In de beginfase van behandeling kunnen antidepressiva leiden tot toegenomen onrust, agitatie en impulsiviteit. Bij jongeren tot ongeveer 25 jaar is er een verhoogd risico op suïcidale gedachten en gedrag, met name in de eerste weken van behandeling. Daarnaast kunnen antidepressiva een (hypo)manische episode uitlokken, vooral bij patiënten met een bipolaire kwetsbaarheid. Dit risico is verhoogd bij ernstige depressies, psychotische kenmerken, familiaire belasting en jongere leeftijd. Agressie is beschreven als bijwerking van verschillende SSRI’s en SNRI’s en is in meerdere bijsluiters opgenomen.

Metabole en somatische bijwerkingen
Antidepressiva kunnen de glucosehuishouding beïnvloeden, hoewel er geen consistente associatie is aangetoond met het ontstaan van diabetes mellitus type 2. Er zijn aanwijzingen dat SSRI’s de botdichtheid kunnen verlagen, met name bij ouderen. Leverfunctiestoornissen zijn zeldzaam, maar beschreven bij meerdere antidepressiva, waaronder duloxetine, tricyclische antidepressiva, mirtazapine en agomelatine.

Cardiovasculaire en overige bijwerkingen
Sommige antidepressiva kunnen invloed hebben op de cardiale geleiding. Citalopram is geassocieerd met QT-verlenging, vooral bij hogere doseringen en bij kwetsbare patiënten. Het absolute risico op ernstige ritmestoornissen is klein. Daarnaast zijn vasculaire effecten beschreven, waaronder een verhoogde kans op bloedingen en mogelijk cerebrovasculaire complicaties. Het risico lijkt mede dosisafhankelijk. Elektrische schoksensaties kunnen optreden bij gebruik van serotonerge antidepressiva, zowel bij starten als bij staken van de medicatie.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2010/2020 update). Practice guideline for the treatment of patients with major depressive disorder.
  • Baldessarini RJ, Tondo L & Vázquez G. (2013). Antidepressant-associated mood-switching and transition from unipolar major depression to bipolar disorder. Journal of Affective Disorders, 148(1), 129–135.
  • Chi-Shin Wu, Sheng-Chang Wang, Yu-Cheng Cheng and Susan Shur-Fen Gau Association of Cerebrovascular Events With Antidepressant Use: A Case-Crossover Study Am J Psychiatry 2011; 168:511-521
  • Cipriani A. et al. (2018). Comparative efficacy and acceptability of 21 antidepressant drugs for the acute treatment of adults with major depressive disorder: a systematic review and network meta-analysis. The Lancet, 391(10128), 1357–1366.
  • de Abajo FJ. & García-Rodríguez LA. (2008). Risk of upper gastrointestinal tract bleeding associated with selective serotonin reuptake inhibitors and venlafaxine therapy. Archives of General Psychiatry, 65, 795–803.
  • Derrijks HJ. Invloed van antidepressiva op de glucosehuishouding. Psyfar (2010) 3: 28-33
  • Kuo, H. K., et al. (2020). Antidepressants and risk of type 2 diabetes mellitus: a population-based nested case-control study. Journal of Clinical Psychopharmacology, 40, 359–365.
  • Movig KLL & Egberts ACG. (2006). Hyponatriëmie als bijwerking van antidepressiva. Psyfar, 3, 40–43.
  • Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb. Signaleringsrapporten en meldingen over SSRI’s en SNRI’s (o.a. bruxisme, tinnitus, agressie, priapisme).
  • Ohayon MM et al. (2012). Prevalence and comorbidity of nocturnal wandering in the general population. Neurology, 78, 1583–1589.
  • Schillevoort I et al. (2002). Extrapyramidal syndromes associated with selective serotonin reuptake inhibitors. International Clinical Psychopharmacology, 17(2), 75–79.\Voican CS, Corruble E, Naveau S & Perlemuter G. (2014). Antidepressant-induced liver injury: a review for clinicians. American Journal of Psychiatry, 171(4), 404–415.
  • Voican CS, Corruble E, Naveau S & Perlemuter G. (2014). Antidepressant-induced liver injury: a review for clinicians. American Journal of Psychiatry, 171(4), 404–415.
  • Yang C, White DP & Winkelman JW. (2005). Antidepressants and periodic leg movements of sleep. Biological Psychiatry, 58, 510–514.