De paniekstoornis wordt gekenmerkt door terugkerende, onverwachte paniekaanvallen. Een paniekaanval is een plotselinge periode van intense angst of spanning die meestal binnen enkele minuten een piek bereikt. Tijdens een paniekaanval kunnen verschillende lichamelijke en psychische symptomen optreden. Veel voorkomende lichamelijke klachten zijn hartkloppingen, een versnelde hartslag, zweten, trillen, benauwdheid, een gevoel van verstikking, duizeligheid, misselijkheid of een gevoel van instabiliteit. Ook kunnen mensen tintelingen ervaren of het gevoel hebben dat hun lichaam niet meer goed reageert. Daarnaast kunnen psychische symptomen optreden, zoals een gevoel de controle te verliezen, angst om flauw te vallen of dood te gaan, of een gevoel van onwerkelijkheid. Sommige mensen ervaren derealisatie (het gevoel dat de omgeving vreemd of onwerkelijk is) of depersonalisatie (het gevoel los te staan van zichzelf). Na één of meerdere paniekaanvallen ontwikkelen veel mensen aanhoudende angst voor nieuwe aanvallen. Deze angst kan ertoe leiden dat men situaties gaat vermijden waarin een paniekaanval mogelijk zou kunnen optreden, zoals drukke plaatsen, reizen met het openbaar vervoer of alleen buitenshuis zijn. Wanneer dit vermijdingsgedrag sterk wordt, kan ook agorafobie ontstaan. Hoewel paniekaanvallen op zichzelf relatief vaak voorkomen in de bevolking, wordt pas gesproken van een paniekstoornis wanneer de aanvallen terugkeren en leiden tot aanhoudende zorgen of veranderingen in gedrag.
Prevalentie
Epidemiologisch onderzoek schat dat ongeveer 2 tot 3 procent van de bevolking in een bepaald jaar aan een paniekstoornis lijdt. De levensprevalentie ligt hoger. De stoornis ontstaat meestal in de late adolescentie of vroege volwassenheid. Vrouwen krijgen ongeveer twee keer zo vaak de diagnose als mannen. Zonder behandeling kunnen de klachten langdurig aanhouden, al verschilt het beloop sterk per persoon. Paniekstoornis gaat regelmatig samen met andere psychische aandoeningen, waaronder agorafobie, depressieve stoornissen en andere angststoornissen. Ook middelengebruik kan voorkomen, bijvoorbeeld wanneer mensen alcohol of kalmerende middelen gebruiken om angst te verminderen. In een groot Nederlands onderzoek onder volwassenen van 18-64 jaar bleek de lifetime-prevalentie (mensen die ooit in hun leven een paniekaanval hebben gehad): 3,8% (bij vrouwen 5,7%, bij mannen 1,9%). Geschat wordt dat 1-5% van de bevolking een paniekstoornis heeft.
Oorzaken
De precieze oorzaak van een paniekstoornis is niet volledig bekend. Meestal ontstaat de stoornis door een samenspel van biologische kwetsbaarheid, psychologische factoren en omgevingsinvloeden. Erfelijke aanleg speelt waarschijnlijk een rol, net als een verhoogde gevoeligheid voor lichamelijke sensaties en stress. Ook belastende levensomstandigheden kunnen bijdragen aan het ontstaan van paniekklachten. Traumatische gebeurtenissen, ingrijpende ervaringen in de jeugd en langdurige stress lijken het risico te vergroten. Bij sommige mensen ontstaat de eerste paniekaanval in een periode van overbelasting of na een stressvolle gebeurtenis. Daarnaast kunnen middelen zoals drugs, alcohol en cafeïne paniekklachten uitlokken of versterken, vooral bij mensen die daar gevoelig voor zijn.
Lichamelijke oorzaken paniek
Angstklachten kunnen voorkomen bij verschillende lichamelijke aandoeningen zoals endocriene aandoeningen (bijv. hyperthyreoïdie en Cushing), cardiovasculaire aandoeningen (hartritmestoornissen) en neurologische aandoeningen een rol spelen. Middelengebruik kan eveneens angst- of paniekachtige klachten uitlokken. Stimulerende middelen zoals cocaïne, amfetamine en cafeïne kunnen hartkloppingen, nervositeit en paniekgevoelens veroorzaken. Ook onttrekking van middelen of medicatie, bijvoorbeeld alcohol, benzodiazepinen of andere sedativa, kan gepaard gaan met angst en paniekklachten.
Literatuur
- American Psychiatric Association. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (5th ed., text revision; DSM-5-TR). Washington, DC: APA, 2022.
- Bandelow B, Michaelis S. Epidemiology of anxiety disorders in the 21st century. Dialogues in Clinical Neuroscience. 2022.
- Barlow DH. (2002). Anxiety and its disorders: The nature and treatment of anxiety and panic (2nd ed.). Guilford Press.
- Clark, DM. (1986). A cognitive approach to panic. Behaviour Research and Therapy, 24(4), 461–470.
- Kyriakoulis, P, Vasilopoulou E, Tsermpini EE et al. (2023). Biological and cognitive theories explaining panic disorder. Brain Sciences, 13(2), 254.
- Nillni YI, Toufexis DJ & Rohan KJ. (2011). Anxiety sensitivity, the menstrual cycle, and panic disorder: A putative neuroendocrine and psychological interaction. Clinical Psychology Review, 31(7), 1183–1191.
- Zorgstandaard Angstklachten en angststoornissen. Akwa GGZ