Een paniekstoornis is in veel gevallen goed behandelbaar. De behandeling bestaat meestal uit psychologische behandeling, medicatie of een combinatie van beide. De keuze voor een behandeling hangt onder andere af van de ernst van de klachten, de duur van de stoornis, eventuele bijkomende problemen en de voorkeur van de patiënt.
De basis van de behandeling bestaat vaak uit psycho-educatie en het verminderen van vermijdingsgedrag. Patiënten krijgen uitleg over paniekaanvallen, de rol van lichamelijke sensaties en de manier waarop angst in stand kan worden gehouden door vermijding en catastrofale interpretaties van lichamelijke signalen.
De meest toegepaste psychologische behandeling is cognitieve gedragstherapie (CGT). In deze behandeling leren mensen hun angstige interpretaties van lichamelijke sensaties te herkennen en te onderzoeken. Daarnaast wordt gewerkt met exposure, bijvoorbeeld door gecontroleerd lichamelijke sensaties op te roepen (interoceptieve exposure) of door geleidelijk situaties op te zoeken die eerder werden vermeden. Hierdoor kan iemand ervaren dat de lichamelijke sensaties niet gevaarlijk zijn en dat de angst geleidelijk afneemt.
Wanneer psychotherapie onvoldoende effect heeft of wanneer de klachten ernstiger zijn, kan medicamenteuze behandeling worden overwogen. Antidepressiva, met name SSRI’s en SNRI’s, gelden als eerste keuze bij de medicamenteuze behandeling van paniekstoornis. Deze middelen kunnen het aantal paniekaanvallen verminderen, de angst voor nieuwe aanvallen verminderen en het vermijdingsgedrag doen afnemen. Het effect treedt meestal pas na enkele weken op.
Tricyclische antidepressiva, zoals imipramine of clomipramine, kunnen een alternatief zijn wanneer SSRI’s onvoldoende effect hebben of niet goed worden verdragen. Benzodiazepinen kunnen angstklachten op korte termijn verminderen, maar worden vanwege het risico op afhankelijkheid en gewenning meestal slechts tijdelijk en met terughoudendheid voorgeschreven.
Onderzoek laat zien dat zowel cognitieve gedragstherapie als antidepressiva effectief zijn bij de behandeling van paniekstoornis. In sommige gevallen kan een combinatie van psychotherapie en medicatie het meest effectief zijn. De gecombineerde behandeling lijkt wel effectiever dan CT of SSRI's alleen. Patiënten die al veel langer aan de paniekstoornis leden, herstelden minder vaak dan in geval van recente pathologie en dat gold voor alle drie behandelingen.
De meest gangbare behandeling, cognitieve gedragstherapie (CGT), is effectief, maar niet voor iedereen. Therapie die gericht is op het versterken van autonomie - het vermogen om je eigen behoeften, wensen en meningen te voelen, te uiten, en af te stemmen met de mensen om je heen - blijkt ongeveer even effectief als CGT als het gaat om verminderen van angst. Bovendien heeft het ook effect op bredere uitkomsten zoals een positiever zelfbeeld. Autonomieversterkende therapie biedt daarom een waardevolle uitbreiding van het behandelaanbod voor angststoornissen. Dit blijkt uit promotieonderzoek van psycholoog Laura Kunst. Cognitieve gedragstherapie (CGT) is de enige wetenschappelijk onderbouwde behandeling voor angststoornissen die momenteel wordt aanbevolen in de richtlijnen. Dat kan problematisch zijn omdat 49% van de cliënten niet volledig herstelt, of zelfs CGT vermijdt, vanwege de blootstelling aan angst. In een klinisch onderzoek onder 129 cliënten met angststoornissen uit acht behandelcentra, is autonomieversterkende therapie (AET) vergeleken met de ‘gouden standaard’ CGT.
Literatuur
- Zorgstandaard Angstklachten en angststoornissen
- Schematische weergave zorgstandaard Angstklachten en angststoornissen
- Richtlijn Angst- en dwangstoornissen (2024)
- Bakker A, Recente ontwikkelingen in de behandeling van paniekstoornis en agorafobie
Tijdschr Psychiatr (2001) 43, 385-393 - Apeldoorn FJ van, Timmerman ME, Mersch PP, Hout WJ van, Visser S, van Dyck R, et al. A randomized trial of cognitive-behavioral therapy or selective serotonin reuptake inhibitor or both combined for panic disorder with or without agoraphobia: treatment results through 1-year follow-up. J Clin Psychiatry 2010;71(5):574-86
- Bandelow B, Michaelis S. Epidemiology of anxiety disorders in the 21st century. Dialogues in Clinical Neuroscience. 2022.