Schizotypische persoonlijkheidsstoornis

Meer informatie
No items found.

Bij een schizotypische persoonlijkheidsstoornis is er sprake van een opvallende combinatie van sociale afstand, achterdocht, eigenaardige overtuigingen en een ongewone manier van denken, waarnemen of communiceren. Mensen met deze persoonlijkheidsstoornis voelen zich vaak ongemakkelijk in contact met anderen en hebben meestal weinig hechte relaties. Nabijheid kan onveilig, verwarrend of bedreigend aanvoelen.

Vaak is er sprake van een bijzondere of excentrieke stijl van denken en beleven. Iemand kan bijvoorbeeld sterke betrekkingsideeën hebben, ongewone betekenissen toekennen aan gebeurtenissen of geloven dat bepaalde ingevingen, signalen of waarnemingen een speciale waarde hebben. Ook kunnen er ongewone zintuiglijke ervaringen zijn, zonder dat er sprake is van een volledige psychose. Het denken en spreken kan voor anderen merkwaardig, omstandig, vaag of associatief overkomen.

Mensen met schizotypische trekken komen vaak zonderling, geremd of moeilijk invoelbaar over. Hun emoties kunnen beperkt zichtbaar zijn en het contact kan stroef of eigenaardig verlopen. Tegelijk is er vaak juist veel gevoeligheid voor afwijzing, vervreemding en sociale onveiligheid. Dat kan leiden tot een geïsoleerd leven, wantrouwen en het gevoel niet goed aan te sluiten bij andere mensen of bij de wereld om hen heen.

Sommige mensen ervaren daarnaast depersonalisatie- of derealisatieklachten, een gevoel van vervreemding van zichzelf of van de werkelijkheid. De grens met psychotische stoornissen vraagt daarom in de diagnostiek altijd zorgvuldige aandacht. Ook kan er overlap bestaan met autismespectrumkenmerken, maar het gaat niet om hetzelfde beeld. Goede diagnostiek is daarom belangrijk.

DSM-5-TR

Volgens de DSM-5-TR is er sprake van een schizotypische persoonlijkheidsstoornis bij een diepgaand patroon van sociale en interpersoonlijke beperkingen, gekenmerkt door acuut ongemak bij hechte relaties, een verminderd vermogen daartoe, cognitieve en perceptuele vertekeningen en excentriek gedrag. Dit patroon begint in de vroege volwassenheid en is aanwezig in uiteenlopende contexten. Er moet sprake zijn van ten minste vijf van de volgende kenmerken:

  1. Betrekkingsideeën, zonder dat er sprake is van betrekkingswanen.
  2. Eigenaardige overtuigingen of magisch denken die het gedrag beïnvloeden en niet passen binnen de culturele context.
  3. Ongewone perceptuele ervaringen, waaronder lichamelijke illusies.
  4. Een merkwaardige manier van denken en spreken, bijvoorbeeld vaag, omstandig, metaforisch of stereotiep.
  5. Achterdocht of paranoïde ideeën.
  6. Inadequaat of beperkt affect.
  7. Vreemd, excentriek of zonderling gedrag of uiterlijk.
  8. Geen hechte vrienden of vertrouwelingen, afgezien van eerstegraads familieleden.
  9. Excessieve sociale angst die niet afneemt bij toenemende vertrouwdheid en meer samenhangt met paranoïde angsten dan met een negatief zelfbeeld.

Deze kenmerken mogen niet uitsluitend voorkomen in het beloop van schizofrenie, een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken, een andere psychotische stoornis of een autismespectrumstoornis.

Behandeling

Behandeling vraagt meestal om een rustige, duidelijke en weinig overvragende benadering. Het opbouwen van vertrouwen kost vaak tijd. De behandeling kan zich richten op vermindering van sociale angst en achterdocht, meer grip op ongewone gedachten of waarnemingen, verbetering van emotieregulatie en beter functioneren in contact met anderen. Wanneer de kwetsbaarheid richting psychose toeneemt, is goede psychiatrische beoordeling extra belangrijk.

Literatuur

Bij een schizotypische persoonlijkheidsstoornis is er sprake van een opvallende combinatie van sociale afstand, achterdocht, eigenaardige overtuigingen en een ongewone manier van denken, waarnemen of communiceren. Mensen met deze persoonlijkheidsstoornis voelen zich vaak ongemakkelijk in contact met anderen en hebben meestal weinig hechte relaties. Nabijheid kan onveilig, verwarrend of bedreigend aanvoelen.

Vaak is er sprake van een bijzondere of excentrieke stijl van denken en beleven. Iemand kan bijvoorbeeld sterke betrekkingsideeën hebben, ongewone betekenissen toekennen aan gebeurtenissen of geloven dat bepaalde ingevingen, signalen of waarnemingen een speciale waarde hebben. Ook kunnen er ongewone zintuiglijke ervaringen zijn, zonder dat er sprake is van een volledige psychose. Het denken en spreken kan voor anderen merkwaardig, omstandig, vaag of associatief overkomen.

Mensen met schizotypische trekken komen vaak zonderling, geremd of moeilijk invoelbaar over. Hun emoties kunnen beperkt zichtbaar zijn en het contact kan stroef of eigenaardig verlopen. Tegelijk is er vaak juist veel gevoeligheid voor afwijzing, vervreemding en sociale onveiligheid. Dat kan leiden tot een geïsoleerd leven, wantrouwen en het gevoel niet goed aan te sluiten bij andere mensen of bij de wereld om hen heen.

Sommige mensen ervaren daarnaast depersonalisatie- of derealisatieklachten, een gevoel van vervreemding van zichzelf of van de werkelijkheid. De grens met psychotische stoornissen vraagt daarom in de diagnostiek altijd zorgvuldige aandacht. Ook kan er overlap bestaan met autismespectrumkenmerken, maar het gaat niet om hetzelfde beeld. Goede diagnostiek is daarom belangrijk.

DSM-5-TR

Volgens de DSM-5-TR is er sprake van een schizotypische persoonlijkheidsstoornis bij een diepgaand patroon van sociale en interpersoonlijke beperkingen, gekenmerkt door acuut ongemak bij hechte relaties, een verminderd vermogen daartoe, cognitieve en perceptuele vertekeningen en excentriek gedrag. Dit patroon begint in de vroege volwassenheid en is aanwezig in uiteenlopende contexten. Er moet sprake zijn van ten minste vijf van de volgende kenmerken:

  1. Betrekkingsideeën, zonder dat er sprake is van betrekkingswanen.
  2. Eigenaardige overtuigingen of magisch denken die het gedrag beïnvloeden en niet passen binnen de culturele context.
  3. Ongewone perceptuele ervaringen, waaronder lichamelijke illusies.
  4. Een merkwaardige manier van denken en spreken, bijvoorbeeld vaag, omstandig, metaforisch of stereotiep.
  5. Achterdocht of paranoïde ideeën.
  6. Inadequaat of beperkt affect.
  7. Vreemd, excentriek of zonderling gedrag of uiterlijk.
  8. Geen hechte vrienden of vertrouwelingen, afgezien van eerstegraads familieleden.
  9. Excessieve sociale angst die niet afneemt bij toenemende vertrouwdheid en meer samenhangt met paranoïde angsten dan met een negatief zelfbeeld.

Deze kenmerken mogen niet uitsluitend voorkomen in het beloop van schizofrenie, een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken, een andere psychotische stoornis of een autismespectrumstoornis.

Behandeling

Behandeling vraagt meestal om een rustige, duidelijke en weinig overvragende benadering. Het opbouwen van vertrouwen kost vaak tijd. De behandeling kan zich richten op vermindering van sociale angst en achterdocht, meer grip op ongewone gedachten of waarnemingen, verbetering van emotieregulatie en beter functioneren in contact met anderen. Wanneer de kwetsbaarheid richting psychose toeneemt, is goede psychiatrische beoordeling extra belangrijk.

Literatuur