De diagnostiek van ARFID vraagt om een zorgvuldige en breed opgezette benadering waarin eetpatroon, medische veiligheid, ontwikkelingsfactoren en comorbide stoornissen samen worden onderzocht. ARFID wordt in de klinische praktijk vaak pas laat herkend, omdat gewicht en uiterlijk sterk kunnen variëren en omdat de vermijding van voedsel op het eerste gezicht lijkt op "kieskeurig eten. Wanneer de klachten passen bij ARFID maar niet volledig voldoen aan de classificatie, kan een andere gespecificeerde voedings- en eetstoornis gesteld worden; "Other Specified Feeding and Eating Disorder" (OSFED).
DSM-5-TR
ARFID wordt vastgesteld volgens de DSM-5-TR-criteria, waarin drie hoofdprofielen worden onderscheiden: vermijding uit angst voor aversieve gevolgen zoals stikken of braken, vermijding op basis van sensorische kenmerken zoals geur of textuur, en verminderde interesse in eten of lage eetmotivatie. Veel patiënten vertonen kenmerken uit meerdere profielen tegelijk. Een volledig diagnostisch onderzoek omvat zowel psychologische als somatische beoordeling en houdt rekening met ontwikkelingsfase, comorbide stoornissen en de context waarin het eetgedrag ontstaat.
Psychiatrisch onderzoek
Onderzoek richt zich op het vermijdingsgedrag en op situaties waarin spanning rond eten ontstaat. Veel mensen met ARFID vermijden specifiek voedsel uit angst voor braken, pijn, verslikken of allergische reacties. Anderen reageren op sensorische eigenschappen zoals geur, kleur, smaak of textuur. Ook kan er sprake zijn van een structureel gebrek aan eetlust of een geringe interesse in eten, waarbij maaltijdmomenten spanning oproepen en het gezin vaak moet bijsturen om minimaal eten binnen te krijgen. Tijdens de anamnese wordt aandacht besteed aan stress rondom maaltijden, vermijding van sociale situaties waarin eten centraal staat en aanpassingen binnen het gezin. Daarnaast is hetero-anamnese bijna altijd noodzakelijk, zeker bij kinderen en jongeren, omdat ouders de veranderingen in eetgedrag en ontwikkeling vaak als eerste signaleren. ARFID kan gepaard gaan met cognitieve gevolgen van langdurige lage energie-inname, zoals traag denken, verminderde cognitieve flexibiliteit en problemen met concentratie en geheugen.
Lichamelijk onderzoek
Iedere patiënt met een vermoeden van ARFID moet lichamelijk onderzocht te worden door een arts, bij kinderen idealiter door een kinderarts. De arts beoordeelt of lichamelijke aandoeningen, zoals voedselallergieën, gastro-intestinale aandoeningen, keel- of mondproblematiek of sensomotorische beperkingen, bijdragen aan het eetprobleem. Daarnaast is er aandacht voor de gevolgen van onvoldoende inname, zoals vermoeidheid, duizeligheid, vertraagd denken, concentratieproblemen en eventuele ondervoeding.
Comorbide stoornissen
ARFID gaat regelmatig samen met andere psychische stoornissen. Vooral neurobiologische ontwikkelingsstoornissen komen vaak voor zoals autismespectrumstoornis, ADHD, ticstoornissen en hechtingsproblemen. Daarnaast worden sociale angst, specifieke fobieën zoals slikfobie of emetofobie, obsessieve-compulsieve stoornis, PTSS en soms ook depressie gezien. Ook komt ARFID geregeld voor in combinatie met andere eetstoornissen, zoals eetbuistoornis of anorexia.
Meetinstrumenten
Voor ARFID is het Pica, ARFID and Rumination Disorder Interview (PARDI) de aangewezen methode om de aard en ernst van de eetproblemen te beoordelen. Dit semigestructureerde interview bestaat in vier versies, afgestemd op leeftijd en informant, en is vrij beschikbaar via een online e-learning. De PARDI helpt onderscheid te maken tussen ARFID-profielen en biedt inzicht in zowel het eetgedrag als de onderliggende angsten en sensorische gevoeligheden. Daarnaast kunnen aanvullende instrumenten worden ingezet. De Food Neophobia Scale ((C)FNS) geeft informatie over voedselneofobie. De Eating Disorder Examination (EDE) wordt gebruikt om andere eetstoornissen uit te sluiten. Bij vermoeden van comorbiditeit worden passende diagnostische instrumenten gebruikt, zoals de SCID-5-S, SCID-5-P of SCID-5-Junior. Extra testen worden alleen ingezet wanneer deze van meerwaarde zijn voor de indicatiestelling of wanneer hypothesen nodig zijn om onvoldoende behandelrespons te begrijpen.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Publishing.
- Bryant-Waugh R, Micali N, Cooke L, Lawson EA, Eddy KT & Thomas JJ (2019). Development of the Pica, ARFID, and Rumination Disorder Interview (PARDI): A multi-informant, semi-structured interview of feeding disorders across the lifespan. International Journal of Eating Disorders, 52(4), 378–387. https://doi.org/10.1002/eat.23042
- Dovey TM, Aldridge VK, Martin CI & Meyer C. (2019). The relationship between avoidance, anxiety, and ARFID: A systematic review. Appetite, 140, 175–188. https://doi.org/10.1016/j.appet.2019.05.006
- Koomar J, Thomas JJ & Eddy KT. (2022). Avoidant/Restrictive Food Intake Disorder: Presentation, assessment, and treatment. The Lancet Child & Adolescent Health, 6(6), 408–420. https://doi.org/10.1016/S2352-4642(22)00071-1
- Nicely TA, Lane-Loney S, Masciulli E, Hollenbeak CS & Ornstein RM. (2014). Prevalence and characteristics of avoidant/restrictive food intake disorder in a pediatric tertiary care eating disorders program. Journal of the Academy of Nutrition and Dietetics, 114(10), 1571–1577. https://doi.org/10.1016/j.jand.2014.03.026
- Thomas JJ, Lawson EA, Micali N, Misra M, Deckersbach T & Eddy KT. (2017). Avoidant/restrictive food intake disorder: A three-dimensional model of neurobiology with implications for etiology and treatment. Current Psychiatry Reports, 19(8), 54. https://doi.org/10.1007/s11920-017-0807-y
- Zorgstandaard Eetstoornissen: ARFID (2025).