Ruminatiestoornis

Meer informatie
No items found.
Schematische weergave van ruminatiestoornis, waarbij maaginhoud weer omhoogkomt en opnieuw wordt uitgespuugd of ingeslikt

De ruminatiestoornis is een zeldzame maar goed herkenbare eetstoornis waarbij voedsel na het doorslikken doelbewust of half-automatisch vanuit de maag terugkeert naar de mond. Het gaat om herhaaldelijke regurgitatie die niet wordt veroorzaakt door een somatische aandoening. De regurgitatie treedt meestal binnen een half uur na de maaltijd op en eindigt in opnieuw kauwen, doorslikken of uitspugen van het voedsel. In tegenstelling tot bij andere eetstoornissen speelt lichaamsbeeld hierbij geen rol. De stoornis komt zowel bij kinderen als volwassenen voor, maar wordt het meest gezien bij jonge kinderen, adolescenten en mensen met ontwikkelingsproblematiek.

Kenmerken

Ruminatiestoornis wordt gekenmerkt door een patroon van terugkerend regurgiteren, vaak in stille episodes en zonder duidelijke misselijkheid vooraf. Het proces is niet hetzelfde als braken; er is geen krachtige contractie zoals bij een reflexmatig braakproces. Bij ruminatie ontspant de onderste slokdarmsfincter waardoor voedsel passief terugstroomt richting de mond. Dit gebeurt meestal zonder aversie en vaak op een ritmische, bijna automatische manier. De stoornis kan leiden tot gewichtsverlies, voedingstekorten, uitdroging, slechte adem en schade aan het tandglazuur door herhaalde blootstelling aan maagzuur. Bij kinderen kan de groei achterblijven, terwijl volwassenen vaak vermoeidheid en buikklachten rapporteren.
De DSM-5-TR beschrijft de ruminatiestoornis als een eetstoornis waarbij voedsel binnen dertig minuten na de maaltijd opnieuw in de mond verschijnt gedurende een periode van minstenes één maand. Het voedsel wordt dan herkauwd, opnieuw doorgeslikt of uitgespuugd. Dit regurgiteren moet een duidelijke verstoring vormen in het dagelijks functioneren, zoals problemen op school, werk, in sociale situaties of bij het op peil houden van voedingstoestand en groei. De diagnose wordt alleen gesteld wanneer het gedrag niet beter verklaard wordt door een andere somatische aandoening, zoals maag-darmziekten of reflux, en wanneer het niet uitsluitend voorkomt in het beloop van een andere eetstoornis zoals anorexia nervosa, boulimia nervosa of een eetbuistoornis. Bij kinderen wordt bovendien gekeken of het gedrag passend is bij de ontwikkelingsfase; bij baby’s onder twaalf maanden is regurgitatie namelijk een normaal verschijnsel dat geen stoornis vormt.

Oorzaken

De oorzaken zijn divers. Bij kinderen wordt ruminatie regelmatig gezien na periodes van stress, overprikkeling of verwaarlozing, waarbij het regurgiteren tijdelijk als zelfregulerend of troostend gedrag fungeert. Ook ontwikkelingsstoornissen zoals autisme of verstandelijke beperkingen verhogen het risico. Bij volwassenen speelt vaak een combinatie van biologische en psychologische factoren. Denk aan maag-darmklachten, vertraagde maaglediging of een ontregeling van de slokdarmsfincter, maar ook aan spanning, angst of hardnekkige eetpatronen. In sommige gevallen ontstaat ruminatie als reactie op eerder braken, waardoor het lichaam als het ware een afwijkend patroon van terugstromen aanleert.

Somatiek en complicaties

De somatische gevolgen hangen samen met de duur en ernst van de ruminatie. Veel mensen verliezen gewicht of komen niet goed aan. Door herhaalde blootstelling aan maagzuur kunnen gebitsschade en irritatie van de slokdarm ontstaan. Bij jonge kinderen kan langdurige ruminatie leiden tot groeiachterstand, voedingsdeficiënties en uitdroging. Chronische ruminatie kan daarnaast zorgen voor buikpijn, refluxachtige klachten en vermoeidheid. Psychologisch kan schaamte of sociale terugtrekking optreden, vooral wanneer het gedrag zichtbaar is voor de omgeving.

Behandeling

De behandeling richt zich op het doorbreken van het automatische ruminatiepatroon. Gedragstherapie vormt de basis, waarbij technieken worden gebruikt die de abdominale spierspanning verlagen en het terugstromen van voedsel tegengaan. Diafragmatische ademhaling is de meest effectieve interventie; door het aanleren van rustige buikademhaling vlak na de maaltijd wordt de druk in de buikholte gereguleerd en kan de slokdarmsfincter beter sluiten. Psycho-educatie helpt patiënten en hun omgeving begrijpen wat er gebeurt en vermindert schuldgevoelens. Wanneer sensorische gevoeligheid, spanning of traumatische ervaringen een rol spelen, kan aanvullende psychologische behandeling noodzakelijk zijn. Bij kinderen kan samenwerking met ouders en school nodig zijn om eetmomenten voorspelbaar en rustig te maken. Een diëtist kan advies geven over voeding die minder snel wordt gerumineerd en tekorten aanvullen. Medicatie speelt slechts een beperkte rol en wordt alleen overwogen wanneer er bijkomende somatische problemen zijn.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Publishing.
  • Chial HJ, Camilleri M, Williams DE, Litzinger K & Perrault J. (2003). Rumination syndrome in children and adolescents: Diagnosis, treatment, and prognosis. Pediatrics, 111(1), 158–162.
  • O’Brien MD & Greer AM (2021). Rumination syndrome: A comprehensive review of the etiology, diagnosis, and treatment. Current Gastroenterology Reports, 23(6), 1–10.
  • Barlow SE & Silverman AH. (2019). Behavioral interventions in pediatric rumination disorder. Journal of Pediatric Gastroenterology and Nutrition, 69(3), 288–294.
Schematische weergave van ruminatiestoornis, waarbij maaginhoud weer omhoogkomt en opnieuw wordt uitgespuugd of ingeslikt

De ruminatiestoornis is een zeldzame maar goed herkenbare eetstoornis waarbij voedsel na het doorslikken doelbewust of half-automatisch vanuit de maag terugkeert naar de mond. Het gaat om herhaaldelijke regurgitatie die niet wordt veroorzaakt door een somatische aandoening. De regurgitatie treedt meestal binnen een half uur na de maaltijd op en eindigt in opnieuw kauwen, doorslikken of uitspugen van het voedsel. In tegenstelling tot bij andere eetstoornissen speelt lichaamsbeeld hierbij geen rol. De stoornis komt zowel bij kinderen als volwassenen voor, maar wordt het meest gezien bij jonge kinderen, adolescenten en mensen met ontwikkelingsproblematiek.

Kenmerken

Ruminatiestoornis wordt gekenmerkt door een patroon van terugkerend regurgiteren, vaak in stille episodes en zonder duidelijke misselijkheid vooraf. Het proces is niet hetzelfde als braken; er is geen krachtige contractie zoals bij een reflexmatig braakproces. Bij ruminatie ontspant de onderste slokdarmsfincter waardoor voedsel passief terugstroomt richting de mond. Dit gebeurt meestal zonder aversie en vaak op een ritmische, bijna automatische manier. De stoornis kan leiden tot gewichtsverlies, voedingstekorten, uitdroging, slechte adem en schade aan het tandglazuur door herhaalde blootstelling aan maagzuur. Bij kinderen kan de groei achterblijven, terwijl volwassenen vaak vermoeidheid en buikklachten rapporteren.
De DSM-5-TR beschrijft de ruminatiestoornis als een eetstoornis waarbij voedsel binnen dertig minuten na de maaltijd opnieuw in de mond verschijnt gedurende een periode van minstenes één maand. Het voedsel wordt dan herkauwd, opnieuw doorgeslikt of uitgespuugd. Dit regurgiteren moet een duidelijke verstoring vormen in het dagelijks functioneren, zoals problemen op school, werk, in sociale situaties of bij het op peil houden van voedingstoestand en groei. De diagnose wordt alleen gesteld wanneer het gedrag niet beter verklaard wordt door een andere somatische aandoening, zoals maag-darmziekten of reflux, en wanneer het niet uitsluitend voorkomt in het beloop van een andere eetstoornis zoals anorexia nervosa, boulimia nervosa of een eetbuistoornis. Bij kinderen wordt bovendien gekeken of het gedrag passend is bij de ontwikkelingsfase; bij baby’s onder twaalf maanden is regurgitatie namelijk een normaal verschijnsel dat geen stoornis vormt.

Oorzaken

De oorzaken zijn divers. Bij kinderen wordt ruminatie regelmatig gezien na periodes van stress, overprikkeling of verwaarlozing, waarbij het regurgiteren tijdelijk als zelfregulerend of troostend gedrag fungeert. Ook ontwikkelingsstoornissen zoals autisme of verstandelijke beperkingen verhogen het risico. Bij volwassenen speelt vaak een combinatie van biologische en psychologische factoren. Denk aan maag-darmklachten, vertraagde maaglediging of een ontregeling van de slokdarmsfincter, maar ook aan spanning, angst of hardnekkige eetpatronen. In sommige gevallen ontstaat ruminatie als reactie op eerder braken, waardoor het lichaam als het ware een afwijkend patroon van terugstromen aanleert.

Somatiek en complicaties

De somatische gevolgen hangen samen met de duur en ernst van de ruminatie. Veel mensen verliezen gewicht of komen niet goed aan. Door herhaalde blootstelling aan maagzuur kunnen gebitsschade en irritatie van de slokdarm ontstaan. Bij jonge kinderen kan langdurige ruminatie leiden tot groeiachterstand, voedingsdeficiënties en uitdroging. Chronische ruminatie kan daarnaast zorgen voor buikpijn, refluxachtige klachten en vermoeidheid. Psychologisch kan schaamte of sociale terugtrekking optreden, vooral wanneer het gedrag zichtbaar is voor de omgeving.

Behandeling

De behandeling richt zich op het doorbreken van het automatische ruminatiepatroon. Gedragstherapie vormt de basis, waarbij technieken worden gebruikt die de abdominale spierspanning verlagen en het terugstromen van voedsel tegengaan. Diafragmatische ademhaling is de meest effectieve interventie; door het aanleren van rustige buikademhaling vlak na de maaltijd wordt de druk in de buikholte gereguleerd en kan de slokdarmsfincter beter sluiten. Psycho-educatie helpt patiënten en hun omgeving begrijpen wat er gebeurt en vermindert schuldgevoelens. Wanneer sensorische gevoeligheid, spanning of traumatische ervaringen een rol spelen, kan aanvullende psychologische behandeling noodzakelijk zijn. Bij kinderen kan samenwerking met ouders en school nodig zijn om eetmomenten voorspelbaar en rustig te maken. Een diëtist kan advies geven over voeding die minder snel wordt gerumineerd en tekorten aanvullen. Medicatie speelt slechts een beperkte rol en wordt alleen overwogen wanneer er bijkomende somatische problemen zijn.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Publishing.
  • Chial HJ, Camilleri M, Williams DE, Litzinger K & Perrault J. (2003). Rumination syndrome in children and adolescents: Diagnosis, treatment, and prognosis. Pediatrics, 111(1), 158–162.
  • O’Brien MD & Greer AM (2021). Rumination syndrome: A comprehensive review of the etiology, diagnosis, and treatment. Current Gastroenterology Reports, 23(6), 1–10.
  • Barlow SE & Silverman AH. (2019). Behavioral interventions in pediatric rumination disorder. Journal of Pediatric Gastroenterology and Nutrition, 69(3), 288–294.