Dementie

Schematische weergave van de hersenen met de belangrijkste hersengebieden betrokken bij cognitie en gedrag

Dementie is een klinisch syndroom dat wordt gekenmerkt door een geleidelijke en meestal progressieve achteruitgang van meerdere cognitieve functies bij een helder bewustzijn, zodanig dat het dagelijks functioneren wordt beperkt. Het gaat dus niet om één ziekte, maar om een verzamelnaam voor verschillende aandoeningen die leiden tot stoornissen in het functioneren van de hersenen.

Prevalentie

Dementie komt veel voor en het aantal patiënten neemt toe door de vergrijzing. In Nederland leven momenteel naar schatting ongeveer 290.000 mensen met dementie, en dit aantal zal de komende decennia verder stijgen. De prevalentie neemt sterk toe met de leeftijd. Onder mensen tussen de 65 en 70 jaar heeft ongeveer 1% dementie, terwijl dit oploopt tot meer dan 30–40% bij mensen ouder dan 90 jaar.

Symptomen

  • Geheugen
    In de meeste gevallen begint dementie met geheugenstoornissen, met name in het opslaan van nieuwe informatie. Recente gebeurtenissen worden vergeten, vragen worden herhaald en voorwerpen raken zoek. In een later stadium raakt ook het langetermijngeheugen aangedaan. Sommige patiënten vullen geheugenlacunes op met verzinsels (confabulaties).
  • Oriëntatie
    Naast geheugenstoornissen treden vaak stoornissen op in oriëntatie. In het begin betreft dit vooral desoriëntatie in tijd, later ook in plaats en uiteindelijk in persoon. Visuospatiële problemen kunnen zich uiten in verdwalen in een vertrouwde omgeving of moeite met het inschatten van afstanden.
  • Executieve functies
    Executieve functies zoals plannen, organiseren, overzicht houden en doelgericht handelen, nemen geleidelijk af. Dit kan zichtbaar worden in problemen met financiën, huishoudelijke taken of het omgaan met complexe situaties.
  • Ziektebesef en ziekte-inzicht
    Bij dementie kunnen ook het oordeelsvermogen en het inzicht in de eigen situatie verminderen. Situaties en gebeurtenissen worden minder goed beoordeeld en ook het besef dat er sprake is van ziekte of achteruitgang is vaak beperkt. Dit kan zichtbaar worden in veranderd gedrag, zoals zelfverwaarlozing, ongepaste kleding, ontremd gedrag of moeite om de gevolgen van eigen handelen goed in te schatten. In het beginstadium kan iemand nog wel aanvoelen dat er “iets mis” is, maar dit vaak toeschrijven aan gewone veroudering. In een later stadium nemen ook ziektebesef en ziekte-inzicht meestal verder af.
  • Taal
    Patiënten hebben moeite om op woorden te komen, spreken in kortere of minder samenhangende zinnen en begrijpen anderen minder goed. In latere stadia kan de communicatie ernstig beperkt raken.
  • Handelen en herkennen
    Ook stoornissen in het handelen (apraxie) en herkennen (agnosie) kunnen optreden. Alledaagse handelingen, zoals aankleden of koken, worden steeds moeilijker, terwijl de motoriek intact kan zijn. Voorwerpen of prikkels worden niet meer goed herkend.
  • Gedrag
    Vroege symptomen kunnen o.a. zijn: initiatiefverlies, onverschilligheid, agressiviteit, onrust, ontremming, onzekerheid, afhankelijkheid, apathie, traagheid, egocentriciteit, onhandigheid, sociaal minder aangepast gedrag en zelfverwaarlozing.
  • Stemming en gevoel
    Somberheid, depressieve klachten, angst en geringe beheersing van emoties waardoor deze snel wisselen zonder aanleiding (affectlabiliteit).

DSM-5-TR

In de DSM-5-TR valt dementie onder de neurocognitieve stoornissen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een beperkte en een uitgebreide neurocognitieve stoornis. Het verschil tussen beide vormen ligt vooral in de ernst van de cognitieve achteruitgang en de mate waarin het dagelijks functioneren wordt beperkt. Bij een beperkte neurocognitieve stoornis blijft de zelfstandigheid grotendeels behouden, terwijl bij een uitgebreide neurocognitieve stoornis duidelijke afhankelijkheid ontstaat in het dagelijks leven.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Publishing.
  • McMaster M et al. Lifestyle Risk Factors and Cognitive Outcomes from the Multidomain Dementia Risk Reduction Randomized Controlled Trial, Body Brain Life for Cognitive Decline (BBL-CD). J Am Geriatr Soc. 2020 Nov;68(11):2629-2637. doi: 10.1111/jgs.16762. Epub 2020 Sep 9. PMID: 32909259.
  • Livingston G et al. (2020). Dementia prevention, intervention, and care: 2020 report of the Lancet Commission. The Lancet, 396(10248), 413–446.
  • National Institute for Health and Care Excellence (NICE). (2018). Dementia: Assessment, management and support for people living with dementia and their carers (NG97). NICE.
  • World Health Organization. (2019). Risk reduction of cognitive decline and dementia: WHO guidelines. World Health Organization.
Schematische weergave van de hersenen met de belangrijkste hersengebieden betrokken bij cognitie en gedrag

Dementie is een klinisch syndroom dat wordt gekenmerkt door een geleidelijke en meestal progressieve achteruitgang van meerdere cognitieve functies bij een helder bewustzijn, zodanig dat het dagelijks functioneren wordt beperkt. Het gaat dus niet om één ziekte, maar om een verzamelnaam voor verschillende aandoeningen die leiden tot stoornissen in het functioneren van de hersenen.

Prevalentie

Dementie komt veel voor en het aantal patiënten neemt toe door de vergrijzing. In Nederland leven momenteel naar schatting ongeveer 290.000 mensen met dementie, en dit aantal zal de komende decennia verder stijgen. De prevalentie neemt sterk toe met de leeftijd. Onder mensen tussen de 65 en 70 jaar heeft ongeveer 1% dementie, terwijl dit oploopt tot meer dan 30–40% bij mensen ouder dan 90 jaar.

Symptomen

  • Geheugen
    In de meeste gevallen begint dementie met geheugenstoornissen, met name in het opslaan van nieuwe informatie. Recente gebeurtenissen worden vergeten, vragen worden herhaald en voorwerpen raken zoek. In een later stadium raakt ook het langetermijngeheugen aangedaan. Sommige patiënten vullen geheugenlacunes op met verzinsels (confabulaties).
  • Oriëntatie
    Naast geheugenstoornissen treden vaak stoornissen op in oriëntatie. In het begin betreft dit vooral desoriëntatie in tijd, later ook in plaats en uiteindelijk in persoon. Visuospatiële problemen kunnen zich uiten in verdwalen in een vertrouwde omgeving of moeite met het inschatten van afstanden.
  • Executieve functies
    Executieve functies zoals plannen, organiseren, overzicht houden en doelgericht handelen, nemen geleidelijk af. Dit kan zichtbaar worden in problemen met financiën, huishoudelijke taken of het omgaan met complexe situaties.
  • Ziektebesef en ziekte-inzicht
    Bij dementie kunnen ook het oordeelsvermogen en het inzicht in de eigen situatie verminderen. Situaties en gebeurtenissen worden minder goed beoordeeld en ook het besef dat er sprake is van ziekte of achteruitgang is vaak beperkt. Dit kan zichtbaar worden in veranderd gedrag, zoals zelfverwaarlozing, ongepaste kleding, ontremd gedrag of moeite om de gevolgen van eigen handelen goed in te schatten. In het beginstadium kan iemand nog wel aanvoelen dat er “iets mis” is, maar dit vaak toeschrijven aan gewone veroudering. In een later stadium nemen ook ziektebesef en ziekte-inzicht meestal verder af.
  • Taal
    Patiënten hebben moeite om op woorden te komen, spreken in kortere of minder samenhangende zinnen en begrijpen anderen minder goed. In latere stadia kan de communicatie ernstig beperkt raken.
  • Handelen en herkennen
    Ook stoornissen in het handelen (apraxie) en herkennen (agnosie) kunnen optreden. Alledaagse handelingen, zoals aankleden of koken, worden steeds moeilijker, terwijl de motoriek intact kan zijn. Voorwerpen of prikkels worden niet meer goed herkend.
  • Gedrag
    Vroege symptomen kunnen o.a. zijn: initiatiefverlies, onverschilligheid, agressiviteit, onrust, ontremming, onzekerheid, afhankelijkheid, apathie, traagheid, egocentriciteit, onhandigheid, sociaal minder aangepast gedrag en zelfverwaarlozing.
  • Stemming en gevoel
    Somberheid, depressieve klachten, angst en geringe beheersing van emoties waardoor deze snel wisselen zonder aanleiding (affectlabiliteit).

DSM-5-TR

In de DSM-5-TR valt dementie onder de neurocognitieve stoornissen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een beperkte en een uitgebreide neurocognitieve stoornis. Het verschil tussen beide vormen ligt vooral in de ernst van de cognitieve achteruitgang en de mate waarin het dagelijks functioneren wordt beperkt. Bij een beperkte neurocognitieve stoornis blijft de zelfstandigheid grotendeels behouden, terwijl bij een uitgebreide neurocognitieve stoornis duidelijke afhankelijkheid ontstaat in het dagelijks leven.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Publishing.
  • McMaster M et al. Lifestyle Risk Factors and Cognitive Outcomes from the Multidomain Dementia Risk Reduction Randomized Controlled Trial, Body Brain Life for Cognitive Decline (BBL-CD). J Am Geriatr Soc. 2020 Nov;68(11):2629-2637. doi: 10.1111/jgs.16762. Epub 2020 Sep 9. PMID: 32909259.
  • Livingston G et al. (2020). Dementia prevention, intervention, and care: 2020 report of the Lancet Commission. The Lancet, 396(10248), 413–446.
  • National Institute for Health and Care Excellence (NICE). (2018). Dementia: Assessment, management and support for people living with dementia and their carers (NG97). NICE.
  • World Health Organization. (2019). Risk reduction of cognitive decline and dementia: WHO guidelines. World Health Organization.