
De bipolaire stoornis (vroeger manisch-depressieve stoornis) wordt gekenmerkt door terugkerende perioden van sterk verhoogde en sterk verlaagde stemming. De aandoening werd al beschreven in de klassieke oudheid, maar de moderne beschrijving van manisch-depressieve ziekte werd begin twintigste eeuw uitgewerkt door de Duitse psychiater Emil Kraepelin. Bij een bipolaire stoornis wisselen episoden van manie, hypomanie en depressie elkaar af. De ernst, duur en combinatie van deze stemmingswisselingen verschillen per subtype.
Subtypen
- Bipolaire-I-stoornis
Bij dit subtype heeft iemand ten minste één manische episode doorgemaakt. Een manie is een periode van sterk verhoogde of prikkelbare stemming, vaak gepaard gaand met verminderd slaapbehoefte, verhoogde energie, impulsief gedrag en verminderd oordeelsvermogen. Depressieve episoden komen vaak voor, maar zijn niet noodzakelijk voor de diagnose. - Bipolaire-II-stoornis
Dit subtype wordt gekenmerkt door terugkerende depressieve episoden in combinatie met hypomane episoden.Hypomanie is een mildere vorm van manie: er is een verhoogde stemming en energie, maar zonder ernstig verlies van realiteitsbesef of duidelijke ontregeling van het functioneren. Voor de diagnose bipolaire-II is ten minste één doorgemaakte depressieve episode vereist. - Cyclothyme stoornis (cyclothymie)
Cyclothymie bestaat uit langdurige stemmingsschommelingen met perioden van lichte depressieve klachten en milde hypomane symptomen. De klachten zijn minder ernstig dan bij bipolaire-I of bipolaire-II, maar kunnen jarenlang aanhouden en het dagelijks functioneren beïnvloeden. - Bipolaire stemmingsstoornis door middelen of medicatie
Stemmingsontregeling kan ook worden uitgelokt door middelen of medicatie, zoals amfetaminen, cocaïne, antidepressiva of corticosteroïden. - Bipolaire stoornis door een somatische aandoening
Soms ontstaat een manisch of hypomaan toestandsbeeld als gevolg van een lichamelijke aandoening, bijvoorbeeld hyperthyroïdie, multiple sclerose, epilepsie of een hersentumor.
Oorzaken
Het is niet precies bekend hoe een bipolaire stoornis ontstaat. Waarschijnlijk gaat het om een samenspel van biologische, psychologische en sociale factoren. Onderzoek laat zien dat genetische factoren een belangrijke rol spelen. Familieonderzoek, tweelingstudies en adoptiestudies tonen aan dat eerstegraads familieleden van patiënten met een bipolaire stoornis een aanzienlijk verhoogd risico hebben om zelf een stemmingsstoornis te ontwikkelen. In tweelingonderzoek wordt geschat dat ongeveer 60–70% van de variatie in kwetsbaarheid voor een bipolaire stoornis door genetische factoren wordt verklaard. De overerving is echter complex en multigenetisch. Er bestaat geen enkel “bipolair gen”; waarschijnlijk dragen meerdere genen in combinatie met omgevingsfactoren bij aan de kwetsbaarheid voor de aandoening. Bovendien leidt een genetische aanleg niet altijd tot het daadwerkelijk ontwikkelen van de stoornis.
Beloop
Het langetermijnbeloop van de bipolaire stoornis kan worden beschreven in termen van stadiëring, ervan uitgaande dat de aandoening voor veel patiënten een progressief verloop heeft: van prodromaal naar syndromaal naar recidiverend of zelfs chronisch, en dat het functioneren tussen de ziekte-episoden meer of minder verstoord kan zijn. (MDR, 2015) Meestal begint de stoornis met een of meer depressieve episoden. Men schat dat 10% van de patiënten met de diagnose ‘unipolaire depressie’ na kortere of langere tijd een eerste manie of hypomanie doormaakt. (MDR, 2015) Gemiddeld treden de stemmingswisselingen elke drie tot negen jaar op, met periodes van een normale stemming tussendoor, 15 tot 20% heeft last van ten minste vier episodes van een stemmingsstoornis (depressie, manie, hypomanie of mengvorm) binnen twaalf maanden, een rapid cycling. Het kan geleidelijk ontstaan, maar ook acuut, soms binnen een dag. Zonder behandeling gaan de episodes wel over (circa 2 maanden bij manische episoden gemiddeld; 2 tot 5 maanden bij depressieve episoden en 5 tot 12 maanden bij gemengde episoden vijf tot twaalf maanden, maar de risico's van een onbehandelde depressie of manie zijn groot. Een onbehandelde manie kan bijvoorbeeld leiden tot levensgevaarlijke lichamelijke uitputting, een depressie tot zelfmoord. Probleem bij de behandeling is dat ongeveer 50% van de patiënten met een acute manische episode een matige tot ernstige beperking van ziekte-inzicht hebben. Geschat wordt dat 25-50% van de patiënten met een bipolaire stoornis minstens eenmaal een suïcidepoging doet, het suïciderisico bedraagt circa 5%.
Prevalentie
Wereldwijd leven naar schatting ongeveer 37 miljoen mensen met een bipolaire stoornis, wat neerkomt op ongeveer 0,5% van de wereldbevolking. De lifetimeprevalentie ligt, afhankelijk van de definitie van het bipolaire spectrum, tussen ongeveer 0,4% en 2,5%. De stoornis komt ongeveer even vaak voor bij mannen als bij vrouwen en begint meestal in de adolescentie of vroege volwassenheid. De piekleeftijd voor het eerste optreden ligt tussen het 15e en 25e levensjaar.
Comorbiditeit
Er is een hoge mate van comorbiditeit met angststoornissen, middelenmisbruik en mogelijk ook met persoonlijkheidsstoornissen. Comorbide drugsgebruik is vaak geassocieerd met een chronisch beloop.
Literatuur
- Bartoli, F., et al. (2024). Prevalence and correlates of manic/hypomanic and depressive predominant polarity in bipolar disorder: Systematic review and meta-analysis. BJPsych Open.
- Berk, M., et al. (2025). Bipolar II disorder: A state-of-the-art review. World Psychiatry.
- Hu, F., et al. (2025). Global trends and projections of bipolar disorder burden among women of reproductive age. Frontiers in Psychiatry.
- Nierenberg, A. A., et al. (2023). Diagnosis and treatment of bipolar disorder: A review. JAMA, 330(17), 1694–1706.
- Oliva, V., et al. (2024). Bipolar disorders: An update on critical aspects. The Lancet Regional Health – Europe, 39, 100871.
- Singh, B., et al. (2025). Bipolar disorder. The Lancet, 405.
- World Health Organization. (2025). Bipolar disorder – fact sheet.
- Zhong, Y., et al. (2024). Global, regional and national burdens of bipolar disorders in adolescents and young adults from 1990 to 2019. General Psychiatry, 37(1).